Wahid verdedigt en verontschuldigt zich in parlement

President Wahid van Indonesië heeft vandaag zijn lang verwachte weerwoord gegeven aan het parlement, dat hem vorige maand berispte wegens schending van zijn ambtseed. Hij noemde de beschuldigingen van malversaties ,,ongegrond'', maar bood parlement en volk excuses aan voor ,,eventueel onloffelijk of onwelgevallig gedrag''.

Het 15 bladzijden tellende weerwoord is onder Wahids supervisie opgesteld door vijf leden van het kabinet en werd voorgelezen door minister van Justitie, Baharuddin Lopa. In strijd met geruchten dat zij niet zou komen, werd de vrijwel blinde Wahid tijdens de voorlezing geflankeerd door vice-president Megawati Soekarnoputri. Lopa, die faam geniet als een onkreukbaar jurist en lid is van een Wahid vijandig gezinde islamitische partij, droeg de tekst met verve voor, af en toe onderbroken door smalend gelach, maar ook applaus.

Wahid ging uitvoerig in op de twee beschuldigingen die de kern vormen van het parlementaire `memorandum' van 1 februari. Zo zou ,,het vermoeden gewettigd zijn'' dat hij rechtstreeks is betrokken bij de verduistering van 10 miljoen gulden uit het personeelsfonds van een overheidsdienst door leden van zijn entourage, en zou hij ,,parlement en publiek inconsistent hebben ingelicht'' over een schenking van de sultan van Brunei.

Zijn betrokkenheid bij de eerste affaire was volgens Wahid ,,volslagen onbewezen'' en zijn ,,politieke veroordeling'' op die grond was dan ook ,,onrechtvaardig''. De schenking van de Bruneise vorst betrof een religieuze aalmoes aan het volk van Atjeh en was niet aan hem gedaan, maar aan een privé-partij. Met de afwikkeling van de gift had hij geen bemoeienis gehad. Voorzover zijn mededelingen hierover tegenstrijdigheden bevatten, was dit niet te wijten aan opzet, maar aan gebrekkige informatie. Van beide transacties had hij ,,geen cent'' opgestreken. Wahid zei bereid te zijn zich voor de rechter te verantwoorden en ,,het publiek aldus inzicht te geven in de feiten''.

Dat hij zich tegenover de parlementaire enquêtecommissie ,,weinig coöperatief'' had betoond, lag aan de zijns inziens ,,illegale'' status van dat gezelschap, maar kwam ook omdat hij zich door de commissie aanvankelijk ,,in de hoek gedreven voelde''. Sinds het parlement de conclusies had overgenomen en een memorandum had uitgevaardigd, was de status van de commissie niet langer relevant, omdat ,,het memorandum een politiek feit is, waar ik niet omheen kan''. Wahid oogstte applaus toen hij parlement en volk zijn excuses aanbood voor ,,eventueel onloffelijk of onwelgevallig gedrag mijnerzijds''.

Wahids Partij van het Nationale Ontwaken (PKB) was positief gestemd over het verweer, maar de andere islamitische partijen reageerden afwijzend. De president blijkt een wig te hebben gedreven in Megawati's PDI-P, de grootste partij. Fractieleider Arifin Panigoro zag in Wahids verweer ,,geen enkele reden'' de afzettingsprocedure te staken. Maar een vice-voorzitter zei dat de PDI-P ,,er niet op uit is de president af te zetten, alleen om hem te corrigeren''.

Op 30 april zal het parlement een standpunt bepalen over Wahids verweer. Dan valt de beslissing of er een tweede memorandum komt, eventueel gevolgd door een buitengewone zitting van het Volkscongres, het hoogste college van staat, dat de president kan afzetten.