Rommelen met grond en afval

Bodemsanering moet, en het mag ook wat kosten. Dan kan het goed fout gaan.

Taken afstoten, de bureaucratie stroomlijnen. In de geest van de jaren '90 zet het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne (VROM) het Service Centrum Grond (SCG) ,,in de markt''. De bodemsanering kan ook door marktpartijen worden uitgevoerd, is de gedachte, en het SCG moet het smeermiddel zijn. VROM betaalt het geld om de club op te richten, in het bestuur worden VROM-ambtenaren, wethouders en gedeputeerden als toezichthouder geplaatst, en het SCG ontwikkelt zich snel tot een vlijtige overheidsondernemer in de bodemsanering. Drie NV's zien het licht, de omzet stijgt tot 100 miljoen gulden, en intussen moet het SCG wettelijke taken uitvoeren.

Daarmee is het misgegaan, stelt het kernteam zware milieucriminaliteit van de Rotterdamse politie vorig jaar na drie jaar onderzoek vast. Het SCG geeft grondverklaringen af die een wettelijke status hebben. Na 1995 is het doel te vermijden dat `ernstig verontreinigde' grond nog langer het leefmilieu belast. Daarom moet deze grond naar afvalplaatsen, en om te voorkomen dat afvalbedrijven de grond stiekem toch in projecten verwerken, stelt de overheid een forse premie op het storten: de ondernemer die `ernstig verontreinigde' grond naar een afvalplaats brengt, betaalt geen stortbelasting (dertig gulden per ton). Een afvalpartij is al gauw 25.000 ton, het voordeel is dan driekwart miljoen gulden – per partij. Het is zo lucratief dat afvalbedrijven eenzelfde voordeel proberen te behalen met verontreinigd afval dat geen grond is. Dát is alleen niet de bedoeling van de regels. Vanaf medio jaren negentig weten tientallen recyclebedrijven het SCG niettemin te verleiden grondverklaringen af te geven voor afval dat zelfs in de verste verte niet op grond lijkt. De politie vermoedt corruptie, maar vindt geen bewijs. Valsheid in geschrifte is het niettemin, redeneert men, en vorige week heeft het openbaar ministerie zich daarbij aangesloten: de SCG-directie heeft te horen gekregen dat drie huidige en twee voormalige medewerkers hiervoor worden vervolgd, alsmede het SCG als rechtspersoon.

Dit laatste is vooral vervelend voor de toenmalige bestuurders van het SCG. Zij werden naast hun hoofdbaan als bestuurder of ambtenaar geacht toezicht te houden op de SCG-directie. En zij vormden, gezien hun status, een sterk team. Maar als vorig jaar de resultaten van het politieonderzoek uitlekken, blijkt het team alleen op papier te hebben gefunctioneerd. Tweede-Kamerlid Van der Steenhoven (GroenLinks), destijds wethouder in Utrecht, is zelden geweest; de Brabantse gedeputeerde Verheijen (PvdA) zegt dat hij over de problemen alleen beperkt is geïnformeerd; de Deventer wethouder Scholten (VVD) verwijst naar VROM: dat had destijds ook vertegenwoordigers in het bestuur en zij konden als beleidsmaker het beleid bijsturen (en de minister informeren).

Het wordt pijnlijk als daarna blijkt dat deze VROM-ambtenaren hun inkomsten als SCGbestuurder zelf behielden, wat de rijksregels niet toestaan. Wel verdiend, niet opgelet – dat beeld resteert in het politieteam dat de SCG-zaak onderzoekt. Vervolging van de toezichthoudende bestuurders gaat echter te ver, vindt het OM, reden waarom de Rotterdamse bestuurskundige A. Ringeling wordt gevraagd onderzoek te doen naar het optreden van de SCG-bestuurders. Ringeling is nog druk doende met zijn onderzoek, hij moet nog tal van betrokkenen horen, zo leert een rondgang. Maar dat de bestuurders, zeker na de berechting van de SCG-verdachten, een zachte behandeling van Ringeling krijgen, ligt niet voor de hand.