Landschappen van Schelde tot Tiber

`Wereldlandschappen', zo noemen kunsthistorici de fabelachtige vergezichten van 16de- en 17de-eeuwse schilders als Herri met de Bles, Pieter Bruegel en Joos de Momper. Het wereldlandschap is een schildering in vogelvluchtperspectief van de schepping. Zoals het Landschap met hertenjacht, een paneel van 37,5 x 59 cm uit 1540, van Cornelis Metsijs, zoon van de Antwerpse schilder Quinten Metsijs. Vooraan in het beeld staat een reusachtige knoestige boom, met daar vlakbij jagers en honden en adellijke vrouwen te paard. Een glooiend landschap ontvouwt zich met bossen en bergen, en in de verte rotsen, kastelen en dorpjes. Een zilveren rivier slingert zich naar een hooggelegen horizon met blauwe bergen. De ruimte is onmetelijk. Het atmosferisch perspectief het verglijden van de kleuren naar wazige lichtblauwe tinten - suggereert verte, maar toch kunnen we, hoe klein en ver weg ze ook zijn, bomen en kerktorens tot in de kleinste details zien. Vanuit de hoogte kijken we neer op een visionaire wereld onder ons.

Deze voorstellingen zijn opgebouwd uit afzonderlijke landschappen die normaal gesproken niet vanuit één standpunt waargenomen kunnen worden. Svetlana Alpers noemt dit, in haar boek The Art of Describing, Dutch Art in the Seventeenth Century (1983) de `cartografische impuls': het verlangen om de werkelijkheid weer te geven in een schilderij dat als een landkaart een overzicht biedt van de wereld. De diverse landschappen kunnen zowel een weergave zijn van een `echte' plek, als ook ontsproten zijn aan de fantasie. Sommige schilders die nog nooit hoge bergen hadden gezien namen een grote kiezelsteen als voorbeeld wanneer zij een rots wilden schilderen. Anderen, zoals Pieter Bruegel de Oude van 1551 tot 1554, ondernamen de grote reis naar Italië. Zeer geliefd waren zijn tekeningen van de watervallen van Tivoli en de Alpen. Een reeks van twaalf Grote Landschappen van Bruegel werden in prent uitgegeven door Hieronymus Cock in Antwerpen. Ook al had hij de Alpen zelf aanschouwd, toch bleef ook Bruegel het `naer het leven' vrijelijk combineren met het `uyt den gheest' (de fantasie). Schitterende kosmische landschappen zijn het, zich uitstrekkend van de Schelde tot de Tiber, met vogels tuimelend tussen hoge rotsen.

Het Noordbrabants museum wijdt een mooie tentoonstelling aan het panoramisch landschap in de Zuidnederlandse schilderkunst van 1500 tot 1675. Naast werken uit de eigen collectie zijn ongeveer 100 bruiklenen uit Nederland, België, Frankrijk en Duitsland bijeengebracht. Het overzicht begint met een dubbelzijdig beschilderd paneel dat is herontdekt als zijnde van, of opnieuw toegeschreven aan, Bosch, en eindigt met de arcadische landschappen van Rubens.

Het paneel van Bosch, uit het bezit van het Musée des Beaux Arts in Valenciennes, toont aan de ene kant `De Heilige Jacobus en Hermogenes de Magiër' en aan de andere kant een `Kloosterhuis van de volgelingen van de Heilige Antonius', ongewone thema's in de kunstgeschiedenis. Achter de exotische magiër ontvouwt zich in coulisse-achtige geledingen een diep landschap met glooiende, egaal-geschilderde heuvels. Met zeer dunne, en zeer glad opgebrachte verflagen bereikt Bosch een bewonderenswaardige transparantie en een grote openheid en ruimte.Joachim Patinir (1480) en Herri met de Bles (ca. 1500-1555) gelden als de eerste echte landschapsschilders. Hier is voor het eerst het landschap het eigenlijke onderwerp, hoewel er altijd religieuze of mythologische taferelen in zijn afgebeeld. Hun schilderijen waren ook in Italië zeer geliefd.

De Bossche tentoonstelling laat zien hoe de landschapsschilderkunst zich ontwikkelde van het allesomvattende landschap naar een meer realistische en `nabije' uitbeelding van het landschap. Zoals een prachtig `Boslandschap' (ca. 1610, 28 x 20,3 cm) van Roelandt Saverij, waar een zompig donkergroen ven zich opent naar een lichtblauw meer. Ook Jan Bruegel de Oude (zoon van Pieter Bruegel de Oude) tekende zo'n bosven, omzoomd door kronkelige boomstammen. De zachte toets van zijn landschappen en bloemstukken bezorgden hem de bijnaam `Jan Fluweel'. Deze ontwikkeling is een illustratie van de ontwikkeling in de 17de eeuw van de moderne natuurwetenschap, en daarmee van het begin van de onttovering van de wereld. In de 16de eeuw heerste de opvatting, te zien bij Pieter Bruegel en Herri met de Bles, dat de natuur vol is van verborgen samenhangen en de uitdrukking van een goddelijk plan. In de 17de eeuw verandert de wereld in een met materie gevulde ruimte die tot voorwerp wordt van empirisch onderzoek. Het 16de-eeuwse Wereldlandschap toont ons de kosmos als een orde waarin alles zijn plaats had. Vandaar het vogelvluchtperspectief: deze tintelende blauwe wereld is een onbereikbaar ideaal, een beeld van het onstilbare verlangen naar de terugkeer in het Paradijs.

Panorama op de wereld, Het Landschap van Bosch tot Rubens. Tentoonstelling in het Noordbrabants Museum, Verwersstraat 41, Den Bosch. T/m 10 juni. Di vrij 10-17 uur, za en zo 12-17 uur. Catalogus, 224 blz., fl. 59,50.