Europa miskent eigen groeipotentie

De Europese leiders verzuimen garen te spinnen bij de gunstige economische situatie op het continent. Het lijkt alsof ze bang zijn voor groei, meent David Ignatius.

Dit zou eigenlijk het jaar van Europa moeten worden – het moment dat het continent naar voren snelt en de trage Amerikaanse en Japanse economie voorbij vliegt. In plaats daalde de Europese gezamenlijke munt de afgelopen weken zelfs te midden van de golven slecht economisch nieuws vanuit Tokio en Wall Street.

De Europese economische grondslagen zijn stevig genoeg. Zoals Le Monde onlangs opmerkte, lijkt Europa op `een eilandje van voorspoed' in een woelige wereldeconomie. Zelfs nu het Internationale Monetaire Fonds onlangs de voorspelde groei neerwaarts heeft bijgesteld, wordt voor Europa dit jaar nog altijd een groei van 2,8 procent verwacht – ruim boven de 1,7 procent die voor de Verenigde Staten en de 1 procent voor Japan worden voorspeld. Maar in plaats van deze kans te benutten, verprutsen de Europese leiders hem door te verzuimen de juiste maatregelen te nemen om investeerders te overtuigen dat Europa het nieuwste groeiwonder van de wereld is.

De eerste fout is de weigering van de Europese Centrale Bank om de rentetarieven te verlagen. De bankiers maken zich nog altijd zorgen over de inflatie, ook al ligt het Europese inflatiecijfer op het ogenblik ruim onder dat van de Verenigde Staten. Het is een misplaatste angst, vooral nu de Verenigde Staten en Japan juist last hebben van deflatie.

Dit is hét moment om op economische expansie aan te sturen. Maar de Europese Centrale Bank blijft te werk gaan alsof hij probeert het Duitsland van Weimar van de hyperinflatie te redden in plaats van de groei van het nieuwe Europa te financieren. `Het enige dat ze weten te zeggen is nee. Generaals voeren altijd de vorige oorlog en centrale bankiers bestrijden de enige vijand die ze kennen, te weten inflatie', aldus een oud-minister van Financiën.

De tweede fout is het verzuim van de Europese politici om de structurele hervormingen uit te voeren waardoor de Europese economie concurrerender zou worden. Ze lijken bijna bang voor groei. Frankrijk gaat prat op zijn succes bij het terugdringen van de werkloosheid van 12,6 procent in 1997 tot 9 procent dit jaar. Dat is lofwaardig, maar bedenk wat de Fransen wellicht zouden presteren met een minder belemmerende arbeidswetgeving en lagere belastingen. Hetzelfde geldt voor Duitsland, België, Nederland en menig ander Europees land met te hoge belastingen en te veel regels.

Maar er zíjn veranderingen op til. Volgend jaar rammelt in de zakken van de Europeanen eindelijk hun gezamenlijke munt, de euro. De eenheidsmunt zal over het hele continent de financiële discipline en vernieuwing ten goede komen. En hij is bevorderlijk voor één Europese kapitaalmarkt, zodat mensen met goede ideeën eenvoudiger nieuwe bedrijven kunnen financieren. Nog een voordeel van Europa is dat het geen financiële kater heeft van een eerdere golf van `irrationele overdaad'. Een aantal technologie- en telecommunicatiebedrijven buiten beschouwing gelaten, waren de jaren negentig voor de Europeanen tamelijk sober. In de VS daarentegen zijn de beurskoersen het afgelopen jaar met het duizelingwekkende bedrag van 4,6 biljoen dollar in waarde gedaald. En Japan is nog altijd niet hersteld van de zeepbel die tien jaar geleden uiteenspatte.

Ondanks deze redenen voor Europees optimisme zakte de euro vorige week steeds verder weg, met als dieptepunt, op vrijdag, 89 dollarcent. Het lijkt wel of de beleggers het goede nieuws niet kunnen geloven. De markten zijn zo gewend aan de aloude slapte in Europa dat ze er niet aan willen dat Europa wel eens de Verenigde Staten en Japan voorbij zou kunnen streven.

Het Europa van 2001 doet denken aan de Verenigde Staten van 1989: het gelooft niet helemaal in zichzelf. Het heeft alle ingrediënten die nodig zijn voor een forse economische groei – op één na: het zelfvertrouwen dat beleidsmakers en beleggers moet bewegen om risico's te nemen. In 1989 mokten de Amerikanen dat ze nooit zouden kunnen concurreren met de Japanners – net zomin als trouwens met de Europeanen. Er hing een sfeer van pessimisme.

Maar er waren in Amerika enkele onzichtbare factoren die de aanzet gaven tot de langdurige hoogconjunctuur, de hausse die pas na tien jaar eindigde toen de Nasdaq een jaar geleden aan zijn vrije val begon. Tot de verborgen Amerikaanse groeifactoren in 1989 behoorden een betrekkelijk zwakke Amerikaanse munt, die een explosieve export bevorderde; een kapitaalmarkt die verantwoord gedrag jegens beleggers en aandeelhouders stimuleerde; en nieuwe technieken die bedrijven gaandeweg in de gelegenheid stelden een grote productiviteitswinst te boeken.

Diezelfde factoren zijn allemaal aanwezig in het Europa van nu. Tenzij de Europese politici en centrale bankiers domme fouten blijven maken, zouden die factoren tot een Europese hausse moeten leiden. De Verenigde Staten en Japan zullen heus wel weer aansluiten, maar moeten daar misschien dan wel een zak vol euro's tegenaan gooien.

David Ignatius is columnist.

©LAT-WP Newsservice

de helling