Conservatief experiment

NEW YORK. Beschouw het bewind van George W.Bush als een nieuwe paradox in de politiek: een conservatief experiment. Na zijn eerste honderd dagen, wil de traditionele wijsheid, kunnen we bij benadering iets over een nieuwe president zeggen. Een crisis is hem de afgelopen twee maanden bespaard gebleven. Het bewind heeft zich rustig kunnen ontplooien volgens de conservatieve lijn, conservatiever nog dan in de campagne beloofd was. Met ecologische beslommeringen, zorg om het milieu heeft het niet veel op. Het boren naar olie in de natuurgebieden van Alaska gaat voor, een verkiezingsbelofte over de beperking van verontreiniging door bepaalde gassen is herroepen. In de verhouding met Rusland wordt gepolariseerd. Diplomaten uitgewezen, de komende ontmoeting op hoog niveau met een Tsjetsjeense minister, denkbeelden over uitbreiding van de NAVO, misschien met de Baltische staten: het doet denken aan de tijd dat Moskou nog de hoofdstad van het Rijk van het Kwaad was. Of we het ermee eens zijn of niet, de verdienste is in ieder geval dat dit bewind al meteen niets nalaat om zijn conservatief signalement scherp te tekenen. Misschien is het eerder ouderwets dan conservatief.

Intussen groeit het andere vraagstuk: dat van de economie. Het halve procent renteverlaging heeft het pessimisme niet doen verdwijnen. Komt er een recessie? Of is er al een recessie? Wat economen zeggen valt nooit te vertrouwen, ook niet als we `de meeste stemmen gelden' zouden aanhouden. The Economist zelf weet het niet. Beter is het te zeggen dat het niet goed gaat. Dat bevordert de ontvankelijkheid van het Congres voor de enorme belastingverlagingen. Maar worden deze of andere voorstellen van dezelfde strekking aangenomen, dan is het effect pas tegen het einde van het jaar merkbaar. Hoe komt men de zomer door?

Hier begint het conservatief experiment. Dit conservatisme van het oude stempel wordt toegepast op een maatschappij die steeds minder lijkt op die van nog maar een jaar of tien geleden: de veelzijdig georganiseerde, gepolitiseerde, de maatschappij waarin een vaste baan voor het leven, pensioen, zorg bij ziekte voor een grote meerderheid tot de betrekkelijke zekerheden hoorde. Dat was de vervulling van een als het ware natuurlijk conservatisme: de gegarandeerde voortzetting van een relatief onbedreigd bestaan.

In de overgangstijd die we sinds ongeveer 1990 meemaken, is deze wereld diep aangetast. In zijn vorig jaar verschenen boek Schöne neue Arbeitswelt (Engelse vertaling The Brave New World of Work) noemt de Duitse socioloog Ulrich Beck het `de Brazilisering van het Westen'. In een paar opzichten gaat de westerse maatschappij lijken op die van semi-geïndustrialiseerde landen als Brazilië. Volledige werkgelegenheid is een ideaal dat we voorgoed vaarwel kunnen zeggen. Tijdelijke banen, discontinuïteit van werkgelegenheid, als gevolg daarvan losse arbeidsverhoudingen, de afbraak van vakbonden, beroepsorganisaties, politieke partijen doen een nieuw soort samenleving ontstaan. Die wordt gekenmerkt door `vage structuren, verscheidenheid, onhelderheid en onzekerheid in ieders werk en leven.' Het is de nieuwe risicomaatschappij waarin het risico niet wordt omschreven met de onvermijdelijkheid van een periodieke ramp. Hier gaat het om het persoonlijk materieel bestaansrisico dat door iedereen iedere dag wordt gedragen.

Op het ogenblik valt wat het voorspel tot wat een recessie wordt genoemd, nog mee. In de Amerikaanse economie komen er iedere week tegen de 10.000 banen bij. Het is nu op z'n hoogst een situatie van dreigende paniek in feitelijke luxe. De vraag is, wat zou kunnen gebeuren als voor iedereen zichtbaar en voelbaar de luxe verdwijnt. Het hoeft nog geen crisis te zijn met daarop volgend een lange depressie als in de jaren dertig. Toen trouwens bestond in de westelijke wereld een stevig vangnet van instituten, partijen en organisaties – behalve in Duitsland.

Deze `gebraziliseerde' westerse samenleving heeft een dergelijk vangnet niet meer. Zo lang het economisch goed gaat, is het bestaan een avontuur. Maar, schrijft Beck, ,,aan de andere kant betekent het risico een sluipende of een losbarstende bedreiging voor menselijke beschaving, de burgerzin, een rampzalige kans dat vooruitgang zal verkeren in barbarij.'' De verdediging ziet hij in de civil society, onder de nieuwe omstandigheden een samenleving van politiek bewuste burgers; de `mondigen' zeggen wij. Een samenleving van `geïndividualiseerden' in de geest van een nieuwe Verlichting. Klinkt dat niet als een idylle van de oude middenklasse, vraagt hij zelf. Nee. En dan komt hij met zijn visie van de gemondialiseerde, de `postnationale civil society.'

Laten we hopen dat hij op den duur gelijk krijgt. Maar voorlopig, denk ik, neemt de hoofdstroom in het Westen een andere wending. De begrippen `mondig' en `geïndividualiseerd' waren al niet congruent. Ze ontwikkelen zich tot een tegenstelling. Men kan uiterst geïndividualiseerd zijn zonder van toeten of blazen te weten. Het is niet uitgesloten dat in deze tijd het toenemen van de individualisering zelfs meer gepaard is gegaan met het afnemen van de mondigheid.

Het experiment van Bush in een tijd van recessie zou hierin bestaan, dat zijn bewind conservatieve remedies wil toedienen aan een samenleving die niet meer bestaat, gefragmentariseerd en veranderd in de `risicomaatschappij' zoals beschreven door Beck. Het conservatisme rekent op de oude instituten en waarden, zoals vervat in de Tien Geboden, en verder hang naar orde, solidariteit. In hoeverre die nog bestaan, zou in een werkelijke recessie onder conservatief bestuur proefondervindelijk moeten worden bewezen: civil society of barbarij.