Wil je ook 'n vissie?

Een paar dagen na vlaggetjesdag spoed ik mij met enkele vrienden naar IJmuiden. We beproeven daar bij een aantal handelaren de viscositeit en de smaak van de nieuwe haring. De verschillen zijn aanzienlijk. Niet alleen tussen de waar van de diverse visboeren, ook onze beoordelingen lopen sterk uiteen. Maar hoe verschillend onze smaken ook zijn, unaniem zijn we in onze verbazing over het enorme aanbod aan vis en schaaldieren. Haai, rog, tonijn, dorade, karper uit Thailand, Surinaamse botervis, het is te veel om op te noemen. En natuurlijk zijn er de traditionele soorten als schelvis, kabeljauw, schol en wijting. (Onbegrijpelijk dat wij in ons land wijting aan de kat voeren terwijl hij in andere landen prominent op de menukaart staat.) Uit alle zeeën der wereld waren de bewoners vertegenwoordigd. Hoe anders was dat vroeger bij ons in het dorp.

,,Wil je ook 'n vissie'', vroeg mijn broer Aloi eens aan Marianne die ik pas kende en die uit Den Haag kwam en dus op visgebied iets meer gewend was dan wij. ,,Wat voor vissie?'' antwoordde ze. ,,Nou gewoon, een gebakken vissie.'' ,,Ja maar wat is dat dan voor vis? Schol, schelvis, kabeljauw?'' Daar had niemand een antwoord op. Bij de Puntbrug stond visboer Zandbergen. Voorzover ik mij kan herinneren werden er maar twee soorten vis verkocht, gebakken en ongebakken. En haring natuurlijk, ook in twee varianten, zure en zoute.

Als brave katholieken aten we vrijdags geen vlees. Zodra de piepers en de worteltjes gaar waren, werd het `botersausje' van Blue Band opgezet en een van de kinderen met een rijksdaalder naar de brug gestuurd om tien gebakken visjes te halen. `Lekkerbekjes' worden ze overal in het land genoemd, leerde ik later. Tot ik in Rotterdam ging wonen en `speciaaltje' moest zeggen tegen hetzelfde stukje vis. Maar in Rotjeknor doen ze wel meer dingen anders. Daar vind je bijvoorbeeld op de markt een kraam waar je gekookte mosselen kunt eten. Bij het scheiden van de markt ligt er een enorme berg lege schelpen.

Wij kenden als kind alleen de zoetwatermosselen die we opdoken uit de modder van de kanaalbodem, maar deze werden niet geschikt geacht voor menselijke consumptie. Wel werd er bij de broodmaaltijd op zaterdagavond – op zaterdag en zondag werd er 's middags warm gegeten – soms een blik haring in tomatensaus opengetrokken en bij feestelijke gebeurtenissen ging er, naast de droge en de warme gekookte metworst, nog wel eens een schaal met zwart roggebrood en zoute haring rond.

Zoetwatervis werd al helemaal weinig gegeten. De paar keer dat ik een zelfgevangen blei, voorn of paling mee naar huis nam, was vader niet te beroerd om deze voor me schoon te maken en te bakken. Maar de vis was altijd graterig en gronderig. Misschien omdat ze afkomstig was uit de veenkanalen uit onze omgeving.

In de tijd dat de riviertjes in de omgeving, zoals de Vecht en de Regge, nog niet zo vervuild waren, is er waarschijnlijk heel wat meer zoetwatervis gegeten. Ik was een jaar of dertien en hielp met behangen bij mijn vriendje Stef. In de honderd jaar oude brugwachterswoning trokken we vele lagen behang en krantenpapier van de enkelsteens, betengelde en met jute bespannen muren. Plotseling verscheen er een nog goed leesbaar fragment. Op de wekelijkse markt in Enter, een paar dorpen verderop, waren naast kippen en eieren ook enkele honderden kilo's verse paling aangevoerd. Maar dat was dan wel in 1888.