Op weg naar Mars

MET HET IN ZEE plonzen van de brandende overblijfselen van het Russische ruimtestation Mir is het tijdperk van de Russische hegemonie in de bemande ruimtevaart definitief voorbij. Afgelopen vrijdag keerde het gevaarte van 140 ton geheel volgens plan terug in de aardatmosfeer. Wat niet ten prooi viel aan de wrijvingshitte ligt ergens tussen Australië en Zuid-Amerika verspreid op de bodem van de Grote Oceaan.

Vijftien jaar heeft de Mir rond de aarde gecirkeld, in welke periode zo'n 140 ruimtevaarders het station bewoonden. Pogingen om de ondergang op het laatste moment af te wenden liepen stuk voor stuk op niets uit. Het armlastige Rusland kon zich het in bedrijf houden van het statussymbool Mir financieel eenvoudig niet langer veroorloven. Zo hoog was de nood dat een schatrijke Amerikaanse ruimtetoerist zich voor 20 miljoen dollar een retourtje naar het station kon aanschaffen.

De laatste jaren van zijn leven is de Mir vooral geassocieerd met mankementen, blunders en onheil. Het station zou een vliegende hoop schroot zijn die ieder moment uit elkaar kon vallen. Vooral 1997 was een rampjaar. Er was brand aan boord, een zuurstofgenerator faalde, het koelsysteem lekte, het vrachtschip Progress ramde de Mir tijdens een mislukte koppelingsmanoeuvre, de stroom viel uit, en nog veel meer. Alles onder het oog van Amerikaanse astronauten die op bezoek waren. Hoewel het lukte de meeste mankementen te herstellen, liep de reputatie van de Russen als ruimtegrootmacht een blijvende deuk op. Maar wie de Mir-missie als geheel bekijkt kan slechts concluderen dat de Russen er vele triomfen mee hebben behaald op het terrein van het langdurig verblijf van de mens in de ruimte.

Inmiddels zijn de ogen gericht op het Internationale Ruimtestation ISS, waarin behalve Amerika, Canada, Europa en Japan ook Rusland participeert. Terwijl de Mir zich opmaakte voor zijn laatste rondjes kreeg het nieuwe paradepaardje van de bemande ruimtevaart vorige week zijn tweede bemanning, twee Amerikanen en een Rus. Met de opbouw van het project, die in 2006 voltooid moet zijn, is een bedrag gemoeid van tientallen miljarden dollars. De bijdrage van de Russen is bescheiden, maar tegelijkertijd zo hoog dat de Mir er de afgelopen jaren onder te lijden had en moest worden afgestoten.

INTUSSEN KAMPT ook het ISS met forse financiële problemen. De Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA heeft van de regering-Bush te horen gekregen dat de budgetoverschrijding waarmee de bouw van het Internationale Ruimtestation gepaard dreigt te gaan, onacceptabel is. Er zal voor vijf miljard dollar op de uitvoering moeten worden bezuinigd. Dat leidt tot rigoureuze ingrepen. Zo gaat een Amerikaans bemanningsverblijf dat in 2005 aan het ISS had moeten vastkoppelen niet door en zullen er de komende jaren minder astronauten langs gaan. Ook de bouw van een reddingsvaartuig ligt onder vuur, wat directe consequenties heeft voor Fokker Space in Leiden.

Dit alles werpt de vraag op naar de toekomst van bemande ruimtevaart. Het ISS, zo is de bedoeling, zal tal van wetenschappelijke experimenten huisvesten die moeten profiteren van de in het station aanwezige gewichtloosheid. Veel van die proeven kunnen kleinschaliger – en dus veel goedkoper – ook via onbemande satellieten worden uitgevoerd. De commerciële basis voor het ISS is dan ook wankel.

Ook dient het ISS als springplank voor bemande ruimtereizen naar bijvoorbeeld Mars. Die planeet blijft, na berichten over mogelijk (uitgestorven) leven aldaar, onverminderd tot de verbeelding spreken. Gezien de financiële lasten zal een retourtje Rode Planeet nog wel even op zich laten wachten. Bemande ruimtevaart is een uitdaging, maar de kunst is inspanningen in die richting in verhouding te doen staan tot de problemen op Aarde.