Kunst op straat verdient beter lot

Nederlanders bekommeren zich weinig om de kunstwerken die de openbare ruimte sieren. Daarin moet verandering komen, meent Geert Lebbing.

Acht jaar staat het nu op de Garenmarkt in Leiden: het Vredesmonument van kunstenaar Piet Hein Stulemeijer. Als het aan wethouder Pechtold van Cultuur ligt, verdwijnt het. Dat het beeld voortdurend beschadigd en beklad wordt (en in de eerste plaats als urinoir gebruikt) is hem een doorn in het oog. Vandaag neemt de Leidse gemeenteraad een besluit over het lot van dit kunstwerk.

Begin dit jaar luidde S. Montag in NRC Handelsblad de noodklok: zijn `stille beeldenstorm' bracht paginagroot in beeld hoe ons culturele erfgoed verdwijnt, verwijderd of vernietigd wordt. Nederland is geen gezond land voor beelden vond Montag. Hij doelde daarmee niet op ons klimaat, het gemis aan mooie pleinen of het gebrek aan monumentaliteit bij kunstenaars (en/of openbare toiletten). Wanneer hij bedoelde dat slechts weinigen zich om het `openbare kunstbezit' bekommeren heeft hij gelijk: kunstwerken worden wel `opgericht' om betekenis en allure aan stad en stadsbeeld te geven, maar worden na hun feestelijke onthulling over het algemeen aan hun lot overgelaten. Overgeleverd aan zichzelf, ijs, weder en vandalen, zijn zij vaker toonbeeld van verwaarlozing dan beeldbepalend voor (de kwaliteit van) de gebouwde omgeving.

Uit sinds 1988, onder andere voor de Rijksgebouwendienst, uitgevoerde inspecties op zo'n 3.200 kunstwerken in de openbare ruimte blijkt dat aan 92 procent nimmer onderhoud is gepleegd. Gemiddeld bevindt 23 procent zich in erbarmelijke (= onherstelbare) staat. Verder is 42 procent niet meer om aan te zien of kampt met ernstige gebreken. Slechts 35 procent van dit openbare kunstbezit is in redelijke tot goede staat. Als bedacht wordt dat 13 procent van geïnventariseerde kunstwerken van brons of ander duurzaam materiaal gemaakt zijn (en dus voor de eeuwigheid geschapen) geven deze cijfers aan hoe troosteloos ons openbare kunstbezit op straat ten toon staat.

Desondanks blijft men in het Openluchtmuseum Nederland druk en graag onthullen. Uit overzichten in het blad BK-informatie is becijferd dat rijk, provincies en Gemeenten tezamen jaarlijks gemiddeld ruim 50 miljoen gulden aan kunstopdrachten besteden, respectievelijk. dat het openbare kunstbezit jaarlijks met gemiddeld 650 aanwinsten wordt uitgebreid. Beheer en onderhoud van de aldus groeiende collectie? In de praktijk worden die taken overgelaten aan diensten als Publieke Werken, die uiteraard beter geëquipeerd zijn (en structureel budget hebben) om wegen te herstraten of huisvuil op te halen, dan om (zonder enig budget) het kunstareaal op peil te houden. Beelden in Nederland leiden geen gezond bestaan.

Toch breekt in Montags storm soms de zon door. In zijn aanloop tot culturele hoofdstad heeft Rotterdam zijn weinige monumenten (zoals dat voor van 'tHoff op de 's-Gravendijkwal) grondig opgepoetst. Zelfs kunstwerken die door `stadswerkers' (Publieke Werken) minder als zodanig worden beschouwd, hebben eindelijk een opknapbeurt gekregen, zoals die op de Blaak (het keramisch `zadel' van David van der Kop, de zwarte stèles van Lon Pennock en Lof der Zotheid van Geert van der Kamp). En heeft het hagelnieuwe terras aan de Westersingel na jarenlange verpaupering niet dezelfde allure gekregen als de beelden? Deze eenmalige actie moest natuurlijk ook: een culturele hoofdstad kan zich niet permitteren het kunstbezit in de staat te laten waarin dat decennia lang door eigen inwoners gezien moest worden.

Even buiten het centrum van deze hoofdstad houdt het culturele elan op. Hier heersen nog steeds verwaarlozing en verval. Zo is bijvoorbeeld het enorme Chatoodoo in het Kralingse Brainpark (Kees Verschuren) wel opgeschilderd maar nog steeds zonder functionerende waterval. En even verderop ligt (in Alexanderpolder) een troosteloos betonnen `dieptepunt – 7 m. N.A.P.' (Frans de Wit). Met deze kunstwerken wachten honderden andere, met name op schoolpleinen, Montags storm af.

Heeft Rotterdam dit jaar dat predikaat, Amsterdam is en blijft culturele hoofdstad. Hier zijn het de stadsdelen die – voorzover mogelijk – hun zaaltje van het openluchtmuseum bezienswaardig proberen te houden. Zonder een aanleiding als in Rotterdam, is hier in 1996-'97 een opwaarderingsproject uitgevoerd, waarbij 2 miljoen gulden is besteed aan herstel, onderhoud en verplaatsing van kunstwerken buiten het centrum. Zo is in Slotervaart/Overtoomse Veld een van Voltens grootste staalplastieken verplaatst, in Osdorp een `vogelvlucht' van de minder bekende Limpberg uit een sompige opslag gehaald en herplaatst. Sindsdien staat ook een gerepareerde bronzen naald (van Van der Locht) op een brug in Westerpark glanzend te kijk. Daags na plaatsing kreeg het zelfs met een anoniem bosje bloemen een even onverwachte als onverdachte publieksprijs.

Gelukkig waaien hier ter lande ook gezonde briesjes. Al ligt ondertussen wel een `Groot Landschap', het ultieme meesterwerk van Wessel Couzijn, aan de Amsterdamse Sloterplas langzaam aan zijn eind te komen. Vogelvrij, in erbarmelijke staat, maar nog altijd de allermooiste. Gelukkig een beetje te groot om onopgemerkt te verdwijnen.

Voor het behoud van het Leidse Vredesmonument heeft wethouder Pechtold zich twee jaar geleden ambitieus ingezet. Blijkbaar zonder resultaat. Het feit dat hij nu verwijdering politiek ter discussie stelt is te waarderen. Het is echter te hopen dat de raad hem niet in zijn voorstel volgt. Pleegde Leiden niet eerder verzet tegen vandalen?

Geert Lebbing (1940) is beeldend vormgever.