Gewiekst politicus doet staatsexamen

Net als zijn voorganger Soeharto weet president Wahid hoe het politieke spel gespeeld moet worden in Indonesië. Wahid ligt hevig onder vuur, maar het is veel te vroeg om hem al af te schrijven.

Als president Wahid van Indonesië morgen het parlement van repliek dient voor de beschuldiging van malversaties met overheidsgeld, begint een beslissende fase in de nu al maanden slepende machtsstrijd. Gezien de ruime parlementaire meerderheid die het verwijtende `memorandum' van 1 februari ondertekende, heeft menige commentator de president al afgeschreven. Toch is het nog te vroeg voor die conclusie. Meerderheden zijn hier grillige grootheden en het verloop van het machtsspel laat zich niet zo gemakkelijk raden.

De politieke rekensommen draaien bijna allemaal om vice-president Megawati Soekarnoputri, de houdster van de sterkste troeven, die niet langer als teamgenoot, maar als tegenspeler van de president geldt. Dat van die troeven klopt – haar nationalistische PDI-P heeft de meeste stemmen – maar er blijft een joker in het spel, en die heet Wahid. De politiek is na de val van generaal b.d. H.M. Soeharto niet zo sterk veranderd als het stemvolume van de parlementariërs suggereert. En Wahid heeft meer gemeen met de gewezen potentaat dan zijn bewonderaars bereid zijn toe te geven.

Soeharto's Nieuwe Orde is vaak afgeschilderd als een dwangsysteem, waarin ieder sidderde voor de sancties van Big Brother. In werkelijkheid was het bestel eerder corrumperend dan dwingend. Loyaliteit was minder een kwestie van angst dan van medeplichtigheid aan een informeel systeem van herverdeling. De vuistregel van Soeharto's machtsuitoefening was `verdeel de buit en heers'. De zwaarste sanctie op tegenspel was niet executie of celstraf, maar uitsluiting van deelname en winstdeling. Soeharto hield het volk onmondig – het was een 'zwevende massa' die moest worden afgeschermd van de niet-gelijkgeschakelde politieke elite – maar hij zag erop toe dat de rijstprijs stabiel bleef en de onderkant van het inkomensgebouw werd opgetild. De bureaucratische elite kreeg de grote brokken en het volk de kruimels, maar het deelde in de groei.

Wahid op zijn beurt gunt de Indonesiërs keuzevrijheid en zeggenschap, maar zijn appeal is eerder een kwestie van charisma en religieus leergezag dan van een politiek programma. Het verschil in politiek krediet tussen de autoritaire vaderfiguur Soeharto en de guru (leraar) Wahid is niet zo groot als het lijkt. Ook Wahid moet presteren. Voor een deel heeft hij dat al gedaan door president te worden. Hij heeft zijn beweging Nahdlatul Ulama opgetild uit het dorpse milieu van islamitische kostschooltjes naar de hallen van de macht. Dit versterkte het gevoel van eigenwaarde bij de achterban en ook de positie van de kiai (schriftgeleerden met een eigen schooltje) en dat geven ze niet zomaar op.

Hoewel Soeharto uit het spel is gehaald, wordt het nog grotendeels gespeeld volgens de oude regels en ook de inzet is nog dezelfde: een plaatsje aan de ruif van staat. Profijtelijke posten worden nog steeds verdeeld via coöptatie en patronage. Leden van de `politieke elite' zijn veranderd van bureaucraten in partijleiders, die moeten dingen naar de volksgunst, maar verkiezing loont alleen als dit de vleespotten dichterbij brengt. De parlementaire enquête naar Wahids betrokkenheid bij verduistering is niet ingegeven door een sterk normbesef, maar door wraaklust over machtsverlies. De meest geestdriftige enquêteurs behoorden tot partijen wier ministers door Wahid aan de dijk waren gezet.

Net als Soeharto heeft Wahid het talent om de `politieke elite' te bespelen met lokmiddelen en dreigementen. Hij schrikt er niet voor terug om het getal van zijn getrouwen uit te spelen tegen de stemmen van zijn tegenstanders. Dat riekt naar mob politics, met alle risico's van dien, en legt een hypotheek op de binnenlandse vrede. Het is nog steeds niet uitgesloten dat de anti-Wahidcoalitie wordt uiteengespeeld met wortel en stok.

Het kan geen toeval zijn dat het verleden van Golkar, ooit het politieke vehikel van Soeharto en nu de tweede partij van het land, pas werd opgebracht nadat die club het `memorandum' had ondertekend. Wahid-aanhangers in Oost-Java staken Golkarkantoren in brand en Wahid zette procureur-generaal Marzuki Darusman – een Golkarleider – voor het blok: voor 1 april moet hij corrupte `grote vissen' uit de Soehartotijd hebben gevangen, anders wordt zijn positie `onhoudbaar'. Het is evenmin toeval dat nu pas boven water komt hoe Akbar Tanjung, voorzitter van Golkar en van het parlement, als minister onder Soeharto met grond heeft gezwendeld.

Dat alles maakt Wahid tot een gewiekst politicus, maar niet tot effectief bestuurder. Hij heeft geen carrière gemaakt in de ambtenarij, het leger of het openbaar bestuur en heeft dan ook geen inzicht in de technieken – informatie monopoliseren, politieke directieven neutraliseren met `technische' excuses – die deze apparaten zo ondoorzichtig en ongrijpbaar maken. Wahid is beter in het bespelen van politieke poppen dan in aansturen van het staatsapparaat, en dat is zijn zwakste plek. Hij kan straks misschien leden van de politieke elite voor zich winnen, maar als dit gepaard gaat met `deals' die het internationale vertrouwen nog verder ondermijnen, luidt deze pacificatie geen economisch herstel in. Blijft dat te lang uit, dan verspeelt hij zijn krediet. Leiders in dit deel van de wereld worden nog steeds niet naar huis gestuurd door stemmen, maar door kelderende koersen en hoge prijzen. Neem nu Soeharto.