Geweld op scholen neemt niet af

Ondanks alle overheidsmaatregelen is geweld, pesten en vandalisme op middelbare scholen de afgelopen acht jaar niet afgenomen. Dat blijkt uit een onderzoek van dr. Ton Mooij van het Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen (ITS). Vandaag kreeg staatssecretaris Adelmund (Onderwijs) het eerste exemplaar.

Voor het onderzoek werden bijna 10.000 leerlingen, 291 leraren en 58 schoolleiders van middelbare scholen ondervraagd. In 1991 en 1993 deed het ITS al onderzoek naar pesten en leerlingengeweld. Die resultaten waren mede de reden van de overheidscampagne `De veilige school' die tot doel had het taboe rond het geweld op school te doorbreken en scholen te helpen de veiligheid te verhogen.

Op de vraag naar de veiligheidsgevoelens van de leerlingen in de afgelopen maand antwoordde zeventig procent zich meestal of altijd veilig te voelen, drie procent voelt zich altijd onveilig. Van de leerlingen was 64 procent de afgelopen maand niet gepest of betrokken bij lichamelijk geweld. Evenmin waren ze bedreigd of waren spullen stuk gemaakt of gestolen. Deze cijfers komen overeen met die uit 1993.

Schoolleiders en docenten vinden dat de aandacht voor veiligheid is toegenomen mede door de campagne, maar ook bijvoorbeeld door media-aandacht. Bovendien reageren scholen alerter op incidenten. Zo proberen docenten door voorlichting, verscherping van gedragsregels, belonen en strenger straffen gewelddadig gedrag van leerlingen te verminderen. Docenten zien net als schoolleiders veel in lokale ondersteuning bij de aanpak van geweld. Volgens hen bieden politie, Halt-bureaus, schoolbegeleidingsdiensten en GG & GD adequate ondersteuning op het gebied van veiligheid. Onderzoeker Mooij is niet optimistisch over de cijfers. ,,Ondanks de toegenomen aandacht is het geweld niet afgenomen. Alle maatregelen die zijn getroffen, van pasjescontrole tot surveillerende agenten, houden het geweld binnen de perken. Wat we willen is natuurlijk verbetering.''

Mooij adviseert dan ook een andere uitvoering van beleid. Volgens hem moet naast de aandacht die wordt besteed aan leerlingen op de middelbare scholen, meer preventieve aandacht komen voor 4- en 5-jarigen op de basisscholen. Op die leeftijd zijn risicoleerlingen al te onderscheiden. ,,Jongens hebben bijvoorbeeld een grotere kans anti-sociaal gedrag te gaan vertonen dan meisjes, maar ook een taalachterstand, de thuissituatie, het opleidingsniveau van de ouders en de buurt spelen mee. Deze kinderen moeten in positieve zin gestimuleerd worden. Dat heeft niet alleen cognitieve effecten, maar bevordert het ook het pro-sociale gedrag.''