Een land van slangen en stenen

Zeventig procent van de mensen heeft geen baan, maar de zwarte en grijze sector floreren. Montenegro leeft al anderhalve eeuw op andermans zak. Een land zonder delfstoffen, hulpbronnen en infrastructuur, maar met een overweldigend mooie natuur. De weinige industrie die er is, is toegesneden op de Servische markt. En toch wil Montenegro onafhankelijk worden van Servië. ,,We hebben genoeg van de kruimels van Belgrado.''

`De wereld zit niet te wachten op Montenegro. Dat weten we best. Maar we zullen onszelf kunnen onderhouden. We zeggen alleen: geef ons een kans — als het mislukt, zijn we zelf de dupe. Elk volk heeft het recht zijn eigen waardigheid hoog te houden.''

Er klinkt iets smekends in de stem van Miodrag Vukovic, de belangrijkste adviseur van de Montenegrijnse president Milo Djukanovic en als zodanig een welsprekend advocaat van de zaak van de Montenegrijnse onafhankelijkheid. Nog zit Montenegro met Servië in de Joegoslavische federatie, maar nu wil het eruit: het heeft na tien jaar oorlog, dictatuur, sancties, dreigementen, Groot-Servische retoriek en misère, en na decennia van betutteling, inmenging, en de status van een luttele provincie van Servië genoeg van de Serviërs. Zestig procent van de Montenegrijnen wil in juni in een referendum voor de onafhankelijkheid stemmen.

Ook Miodrag Vukovic weet dat de zwakke economie van Montenegro een enorme hinderpaal is. Montenegro heeft niets — niets dan stenen, rotsen en bergen. Onvoorstelbaar mooi is het landschap, ruig en wild en ontoegankelijk, met prachtige vergezichten, met intens groene meren en rivieren, en met een kustlijn die aan schoonheid niet onderdoet voor de Dalmatische kust in Kroatië. Maar verder? Een land zonder delfstoffen, hulpbronnen, infrastructuur. De wegen zijn kwetsbaar: vroeger konden de Montenegrijnen de Turk in de weinige dalen opsluiten en in hun bergen hun onafhankelijkheid bewaren. Nu wordt die kwetsbaarheid van de vervoerslijnen hun noodlot, want als er een weg geblokkeerd raakt, is de helft van het land geïsoleerd. Niets groeit er in dit land van slangen en stenen, driekwart van het voedsel moet worden ingevoerd. En het beetje industrie dat Montenegro heeft is toegesneden op de Servische markt, de aluminiumfabriek, de staalfabriek, de witgoedfabriek van Cetinje, waar derderangs ijskasten worden gemaakt, de haven van Bar en de spoorlijn naar Belgrado: raken die banden verbroken dan is het uit met de Montenegrijnse economie.

Een arm land. Een klein land: eenderde van Nederland, met 650.000 inwoners, meer niet. Vroeger, voor 1918, toen Montenegro onafhankelijk was, had het zijn prins-bisschoppen die het land bestuurden en die zich als handige diplomaten ontpopten: ze kregen geld van grootmachten als Rusland en Italië, die belang hadden bij een onafhankelijk Montenegro om de Turken en de Oostenrijkers in te tomen. Hun laatste koning huwde zijn dochters uit aan de toekomstige koningen van Servië en Italië, aan Russische grootvorsten: dat leverde geld op, en diplomatieke steun. Onder Tito betaalde Belgrado 85 procent van de Montenegrijnse begroting. Nu betaalt de Europese Unie eenderde ervan en betalen de Amerikanen Montenegro voor zijn pensioenfonds: ze leven al honderdvijftig jaar op andermans zak. Zeventig procent van de Montenegrijnen heeft geen baan. Ze hebben alleen een gigantische zwarte en grijze sector: de dure auto's, de luxe cafés en boetieks in het centrum van de hoofdstad Podgorica, de dure kleren in die boetieks — het is allemaal gestolen en opgebouwd met aan de smokkel verdiend geld.

Miodrag Vukovic weet het. Hij kan hoog opgeven van die mooie kustlijn, die prachtige meren, de potentie van het toerisme als kurk van de economie: ,,Copacabana voedt twee miljoen mensen.'' ,,We vragen de internationale gemeenschap niet om ons te onderhouden. We willen de kans onszelf te onderhouden. We willen toegang tot de internationale kredietmarkt. Als we bij Servië blijven horen, krijgen we die niet. Dan krijgen we uit Belgrado wat we altijd al kregen: kruimels. Dáárom willen we die onafhankelijkheid: als we in Joegoslavië blijven, blijven we vastzitten aan de problemen van Servië die niet onze problemen zijn en krijgen we peanuts van het geld dat Servië straks krijgt.'' Servië is zeventien keer zo groot als Montenegro – het kan nooit een federatie van gelijke partners zijn, zegt Miodrag Vukovic.

Dragiša Burzan is vice-premier van Montenegro, een grote, zware man die een rondborstig soort optimisme uitstraalt. Hij roemt de ,,dramatische hervormingen'' die er komen als Montenegro straks onafhankelijk is. Maar als Montenegro de facto al drie jaar onafhankelijk is — sinds de regimes van Slobodan Miloševic in Belgrado en het aantreden van Milo Djukanovic in Podgorica erkennen de twee elkaar niet meer –, waarom is er de afgelopen drie jaar dan niet ,,dramatisch'' hervormd? Omdat Belgrado en het door Belgrado veroorzaakte isolement dat niet toelieten, zegt Dragiša Burzan. ,,We waren geïsoleerd. We moesten voortdurend bang zijn voor militaire interventie van het leger dat Miloševic hier had. We leden onder de internationale sancties tegen Joegoslavië èn onder de sancties van Miloševic tegen ons. En privatiseren zonder buitenlands geld – dat gaat niet. Maar dat was er niet wegens het isolement.''

De potentie is er, vindt Burzan. Vóór 1991, zegt hij, voerden we zestig procent van onze productie uit naar landen met harde valuta, we hadden onze scheepswerven, buitenlandse scheepvaartmaatschappijen brachten veel geld in het laatje, in tien jaar heeft hun wegblijven ons 800 miljoen mark gekost. En het toerisme — 200 miljoen mark per jaar leverde dat op, dat is meer dan de EU ons nu betaalt als begrotingssteun.

Het mag kloppen, maar Dragiša Burzan vertelt niet alles. Dat zestig procent van weinig bijna niets is, bijvoorbeeld. Dat de wederopbouw van een verlieslijdende aluminiumindustrie en een tien jaar lang verwaarloosde toeristische infrastuctuur eerst miljarden kost voor die sectoren weer geld opbrengen. Het deert Dragiša Burzan niet. Het bnp gaat dit jaar met acht procent omhoog, zegt hij, en volgend jaar met vijf. Er is veel belangstelling van investeerders, en Telecom, we verkopen Telecom. De landbouw? ,,We exporteren melk, dat was drie jaar geleden nog onvoorstelbaar. En kijk naar al de olijfbomen aan de kust – de olijven worden niet eens geplukt!'' Burzan bestrijdt ook dat die economische banden met Servië na de onafhankelijkheid teloorgaan, want Montenegro wil na de onafhankelijkheid een losse unie met Servië aangaan, en hij weet zeker dat de Serviërs dat op den duur ook willen: ,,Het is in hun belang, [premier] Zoran Djindjic is een pragmaticus.''

Miodrag Vukovic en Dragiša Burzan – ze spreken met de moed der wanhoop. Wie rondrijdt door deze overweldigende natuur ziet hoe de economie zich ontwikkelt: ergens in de diepte van het dal tussen de immens steile en immens kale berghellingen heeft een boer moeizaam, moeizaam een veldje van twintig bij dertig meter veroverd op de rotsen. In de stad rookt geen schoorsteen. Aan de kust hangen de bordjes met `Zimmer' in de prachtige oude Dalmatische dorpen er treurig bij. Italianen komen hier jagen, zegt een vriend, we hebben wolven en beren en lynxen en gemzen en herten, alleen jammer dat ze zo gierig zijn, die Italianen, ze geven niks uit.

Montenegro is niet armelijk, integendeel: er rijden veel luxe auto's rond, in Podgorica grenst het ene luxe café aan de volgende luxe boetiek: smokkel is hun métier. Auto's en sigaretten, vroeger, tijdens de oorlogen, waren het wapens en olie. Miljarden zijn ermee verdiend. Zeventig procent van de Montenegrijnen heeft geen werk, maar slechts dertig procent is echt werkloos: veertig procent – meer dan er werken in de officiële economie – verdient zijn geld met smokkel. ,,Jonge mensen zijn onze belangrijkste hulpbron'', zegt vice-premier Burzan – en zeker daarin heeft hij gelijk, ook al zijn de afgelopen tien jaar tienduizenden van de slimsten geëmigreerd om nooit terug te keren.

Predrag Drecun is een van de leiders van de Volkspartij, die tot voor kort nog in de regerende coalitie van Milo Djukanovic zat, maar die daar na de val van Miloševic in Belgrado is uitgestapt omdat ze tegen de onafhankelijkheid van Montenegro is nu er in Belgrado een fatsoenlijk bewind aan de macht is. We zijn tegen de onafhankelijkheid, zegt hij, omdat het weinige dat we economisch hebben alleen kan bestaan dankzij Servië. Onze haven Bar is te groot voor onze kleine markt, onze industrie kan zonder Servië niet draaien, ons stroomnet is dat van Servië en de enige toeristen die we hebben zijn Serviërs. Onze kinderen studeren in Belgrado, Belgrado is in onze geest veel dichterbij dan Zagreb of Ljubljana.'' Alleen in de federatie maken we een kans op hulp, zegt hij: ,,Servië's probleem was Miloševic, niet de economie. Nu hij weg is krijgt Servië geld. Hongarije kreeg na 1989 vijftien miljard dollar. Dat krijgt Servië straks ook. En wij? De EU geeft ons per jaar 150 miljoen mark voor onze begroting. Maar straks? Straks kijkt de EU naar Servië, niet naar ons.''

Nebojša Medojevic, een jonge econoom, is nog veel strenger dan Drecun over de staat van de natie. ,,Dit land is bankroet. Ab-so-luut bankroet'', zegt hij. ,,Alle indicatoren zijn negatief. Er zijn de afgelopen jaren honderdduizend banen vernietigd. Er zijn er nog maar 63.000 over. Het enige dat we hier produceren zijn enorme verliezen.'' De staatsbedrijven zijn in tien jaar uitgehold en leeggeroofd en hebben geen potentie meer. De rijkdommen zijn terechtgekomen bij een kleine groep corrupte politici, zakenlieden en smokkelchefs. ,,Dit land heeft slechte bedrijven zonder geld en grote jongens mèt geld'', zegt Medojevic. ,,In drie jaar heeft de privatiseringsraad niet één aandeel verkocht. Corruptie alom: elke handtekening is in dit land een nieuw geval van corruptie.''

Als ik hier de leiding had, zegt Medojevic, zou ik alle slechte bedrijven sluiten, de paar goede herstructureren, alle banken sluiten en jullie ING uitnodigen, de zwarte en grijze sector legaliseren, vijftig procent van de ambtenaren naar huis sturen en achter elke minister een buitenlandse mentor zetten die hem vertelt wat hij moet doen.

Hervormd is tijdens de drie jaar van de facto onafhankelijkheid niets, zegt Medojevic. ,,Deze regering is daar niet toe in staat, het zijn oud-communisten. De resultaten van haar pogingen zijn catastrofaal.'' Voor een belangrijk deel is dat de schuld van het Westen, dat Montenegro veel geld gaf om zuiver politieke redenen: ,,Djukanovic was de oppositie tegen Miloševic, dus hij werd gesteund. Maar het Westen heeft zich nooit bekommerd om de vraag wat met het geld werd gedaan. Er was nooit enige druk op Montenegro om te hervormen.'' Het Westen, zegt Medojevic, ,,heeft simpelweg de rekeningen van Djukanovic betaald omdat hij the good guy was, en om niks anders. Het Westen heeft jarenlang de democratie en hervormingen verhinderd.''

Als Montenegro onafhankelijk wordt, zegt Medojevic, heeft het zeshonderd miljoen dollar aan investeringen nodig, plus een verstandig kader, en vijf jaar die geheel zullen opgaan aan het ruimen van puin. ,,Slovenië produceert per jaar vijftig topexperts – en zie hoe goed het Slovenië gaat.''

De tegenstanders van onafhankelijkheid voeren de desastreuze staat van de economie aan als argument. Medojevic gebruikt die economische misère juist als argument vóór onafhankelijkheid. ,,We moeten onafhankelijk zijn om onze eigen problemen te identificeren. Djukanovic heeft dat nooit gedaan: hij verschool zich achter Miloševic als de grote boeman. Miloševic was zijn alibi en het Westen liet dat toe.'' Als Montenegro op eigen benen staat, aldus Medojevic, staat het eindelijk oog in oog met zijn economische ellende en moet het wel hervormen. Van Servië heeft het niets te verwachten: Servië heeft zijn eigen economische problemen, en die zijn oneindig veel groter dan die van Montenegro. ,,Geen enkele regering in Belgrado zal ooit onze problemen oplossen. We moeten het zelf doen.''