De vraag

Een alleenstaande, had de maatschappelijk werkster gezegd. Iemand die nooit buiten kwam. Spontaan had Ellen zich opgegeven en nu zat ze tegenover een oude vrouw in het bejaardenhuis. Uitvoerig hadden ze gepraat over de bloemen in de plantenbak en in de tuin. Wat nu? Het eten dan maar. ,,Ik mag niet klagen, kind, maar wat zou ik graag eens een pannenkoekje lusten, warm uit de pan.'' Ellen overwoog onmiddellijk of ze die kleine wens kon vervullen. De oude vrouw keek haar onderzoekend aan en er kwam een slim lachje om haar mond, terwijl ze vervolgde: ,,Lichtbruin gebakken en zacht van binnen, zodat het smelt in je mond, maar toch met een knapperig randje.'' Ze maakte een smakkend geluid en wachtte af, maar Ellen zweeg. Zó'n pannenkoekje zou ze immers nooit kunnen maken. Pas veel later begreep ze dat het niet daarom ging, maar om het uitstapje. Toen was de oude vrouw al dood.