De Raad voor Cultuur prijst Hierck èn zichzelf

In adviezen aan staatssecretaris Van der Ploeg stemt de Raad voor Cultuur in met een forse ingreep in het Nederlandse orkestenbestel.

Dat de Raad voor Cultuur van harte instemt met de voorstellen van de commissie-Hierck voor een nieuwe ronde in de al decennia durende herstructurering van het Nederlandse orkestenbestel, verrast niet. De Raad voor Cultuur was middels Lieuwe Visser immers zelf ook vertegenwoordigd in de commissie-Hierck. Die werd vorig jaar ingesteld door staatssecretaris Van der Ploeg (Cultuur) om te bezien of de vergaande en sterk omstreden voorstellen van de Raad voor Cultuur – opheffing van drie orkesten – in de praktijk wel uitvoerbaar waren.

De Commissie-Hierck herformuleerde de voorstellen van de Raad voor Cultuur en de Raad voor Cultuur stemde gisteren - met enkele kanttekeningen – van harte met een integrale uitvoering vanwege ,,de fantasievolle en heldere aanpak van deze per definitie gecompliceerde materie.'' Hans Hierck was inderdaad de deskundige die de gestroomlijnde Raad voor Cultuur zelf node miste. Hij kent uit ervaring de geledingen van het Nederlandse muziekbestel waarover hij moest adviseren. Hierck was directeur van het Gelders Orkest en coördinator van de klassieke muziekzender Radio 4, waarvoor het Muziekcentrum van de Omroep werkt.

De Raad mag inderdaad dankbaar zijn voor de wat andere formuleringen en een principiëlere onderbouwing, die Hierck gaf aan de bruuske en onverwachtse voorstellen van de Raad voor Cultuur. Het rapport `Met het oog op de toekomst' heeft zelfs het karakter van een reddingsplan voor de symfonische muziek.

Zo presenteerde Hierck de dramatische opheffing van drie orkesten (het Noordhollands Philharmonisch Orkest, het Nederlands Kamerorkest en het Radio Symfonie Orkest) wat soepeler en positiever. Het Noordhollands Philharmonisch Orkest moet fuseren met het Nederlands Balletorkest. Samen, zij het met verlies van arbeidsplaatsen, kunnen de twee nu bijna marginale orkesten iets moois opbouwen. Over `opheffing' van het Nederlands Kamer Orkest en het Radio Symfonie Orkest wordt door Hierck niet meer expliciet gesproken. De moederorganisaties (het Nederlands Philharmonisch Orkest en het Muziekcentrum van de Omroep) moeten ,,inkrimpen''. De uitkomst staat vast, maar ze mogen zelf voorstellen hoe het moet gebeuren.

Het goede van Hiercks advies is dat er ondanks alles niet wordt bezuinigd. Het uitgespaarde geld wordt geherinvesteerd in de volgens Hierck wat kwakkelende symfonische sector, die na deze operatie als geheel versterkt de toekomst tegemoet kan treden. Na de extraatjes die de Raad voor Cultuur en Van der Ploeg eerder in de Randstad uitdeelden, komt nu ook een aantal minderbedeelde orkesten aan bod.

Tragisch is dat dit gebeurt na een rondje kannibalisme, waarbij het orkestbestel wordt geamputeerd. De consequenties zijn groot: de symfonische productie vermindert onvermijdelijk, er is minder ruimte voor het begeleiden van opera. Chef-dirigent Hartmut Haenchen zal vertrekken als er op zijn Nederlands Philharmonisch Orkest wordt bezuinigd.

Het Amsterdamse Concertgebouw, de Nederlandse Opera en de Matinee op de Vrije Zaterdag klagen niet voor niets en bezweren Van der Ploeg en de Tweede Kamer vooral verstandige besluiten te nemen en niet lichtvaardig het mes te zetten in het fundament van de unieke Nederlandse orkestcultuur. Kwantiteit is hier immers ook een kwaliteit: de top van de muziekpiramide – het Koninklijk Concertgebouworkest dat een officieel boegbeeld is van de Nederlandse cultuur – kan alleen zo hoog liggen op grond van een brede basis.

De adviezen van Hierck en de Raad voor Cultuur bevatten losse eindjes en zijn deels gebaseerd op onbewezen stellingen. De klassieke en symfonische muziekcultuur is niet echt in verval maar groeit en bloeit. Geen concertgebouw ter wereld wordt zo druk bezocht als het Amsterdamse, en al is het publiek deels grijs, dat biedt juist perspectief dankzij de toenemende vergrijzing. Dat de samenleving voor de orkesten niet meer over heeft dan 150 miljoen per jaar staat niet echt vast. Evenmin dat de omroeporkesten publiek afsnoepen van de `reguliere' orkesten.

De `moed, visie en bereidheid tot veranderingen', die de Raad voor Cultuur gisteren van alle verantwoordelijken eiste, hebben ook in het eigen advies hun grenzen. De Raad spreekt wel over een éénhoofdige artistieke leiding bij het Muziekcentrum van de Omroep. Maar die heeft slechts een beperkte macht: het uitvoeren van de wensen van de omroepen op basis van een meerjarenbeleid, dat toch ook in samenspraak met de omroepen moet worden bepaald. De Raad wil wèl een bijzondere programmering, maar verzuimt daarvoor de essentiële voorwaarden te scheppen. Want er wordt niet echt getornd aan de Hilversumse paradox, waarbij de omroepen met elkaar moeten samenwerken èn tegelijkertijd met elkaar moeten concurreren. Juist in een advies dat idealen wil schetsen, mist men het pleidooi voor de vanzelfsprekende integratie van MCO en Radio 4.