De gevangenis als enige ontsnappingsmogelijkheid in Parijs

Sinds twee jaar patrouilleren in Parijs groepjes wijkagenten, op zoek naar de kleine criminaliteit. De praktijk van het Franse `gedoogbeleid'.

,,Klootzakken''. Recht voor zich uitkijkend maar goed hoorbaar laat de jongen zich het scheldwoord ontvallen, op het moment dat hij de politie-agenten passeert. Even aarzelen ze, dan zetten ze de achtervolging in. Hadiba, van Noord-Afrikaanse afkomst, blauwe zonnebril op zijn neus, glanzend sportpak, zet demonstratief de koptelefoon van zijn walkman op bij het eerste woord dat de agenten tot hem richten. Hij spuugt op de grond, vlak voor hun voeten. Leegt geroutineerd zijn zakken, laat zich verveeld rondkijkend fouilleren en schakelt op verzoek met een pincode zijn mobieltje aan. Kennelijk niet gestolen. Hij kan gaan.

Even verderop staat een kleine Chinese dame haar illegale koopwaar aan te prijzen. Op de vraag of ze Frans spreekt, schudt ze bedremmeld het hoofd. ,,Ze spreekt dus Frans'', zegt gardien de la paix, vredesbewaarder, Patrick. Hij zwaait met de voorlopige verblijfsvergunning die ze hem gegeven heeft: ,,Die nemen we de volgende keer in.'' Opgelucht schudt de vrouw de agenten met plechtige hoofdknikjes de hand. ,,Als we haar spullen innemen, loopt ze het risico in elkaar geslagen te worden door degene die haar op pad stuurt'', verzucht Patrick. ,,Meestal is dat gewoon een familielid.''

Patrick en Freddy zijn zogeheten îlotiers, wijkagenten. Twee jaar geleden voerde de Franse overheid een grootscheepse hervorming in bij de Police Nationale, waarbij van de bijna 100.000 agenten die Frankrijk telt, er 12.000 werden vrijgemaakt als police urbaine de proximité (PUP). Stedelijke buurtpolitie, die te voet, op mountainbikes of op rollerskates constant aanwezig is. Behalve bestrijding van de kleine criminaliteit is vergroting van het gevoel van veiligheid van de burger het doel van de veelbesproken herinrichting van het politiekorps.

De nieuw aangetreden socialistische burgemeester van Parijs, Bertrand Delanoë, liet deze week weten nog eens duizend îlotiers te willen aanstellen, wat hun aantal in de hoofdstad op 3.500 brengt. De eerste resultaten, over de periode 1999-2000, zijn bemoedigend. Weliswaar is het criminaliteitscijfer niet gedaald, maar inbegrepen zijn deze keer kleine vergrijpen (11 procent) die voorheen niet geregistreerd werden. Het gevoel van veiligheid is toegenomen: in Parijs van 79 procent in 1998 tot 85 procent begin 2000.

De agenten kennen hun wijk op hun duimpje. Ze gaan dagelijks langs bij apotheken die moeilijkheden melden met verslaafden, bij het postkantoor dat wordt geconfronteerd met valse identiteitspapieren en bij de conciërges van de grote flatgebouwen. Ze hebben de sleutels en toegangscodes van ieder woonblok, elke garage, en ieder fabrieksterrein in hun wijk. Vooral ook kennen ze degenen, die overlast veroorzaken, jongeren veelal, en bijna altijd van vreemde herkomst.

Het gebied van Patrick en Freddy is het als moeilijk bekendstaande, noordelijke gedeelte van het 17e arrondissement, grenzend aan de Parijse ringweg en de banlieue van Clichy. Hun uitvalsbasis is het hoofdbureau van politie van het arrondissement aan de rue Truffaut, een haveloos gebouw met een dito interieur, dat alleen door enkele in beslaggenomen boeketten van illegale bloemenverkopers wordt opgevrolijkt. Aan de in de vloer vastgeklonken poten van de banken in de entreehal zijn handboeien bevestigd. Sommige zitten om de enkels van haveloze elf-, twaalfjarige kinderen.

Roemeense kinderen, stuk voor stuk. Ze zijn minderjarig en moeten na verhoor weer worden vrijgelaten. Eentje zit er voor de tweede keer vandaag: gisteren en eergisteren zat hij er ook al. Net als de anderen licht hij parkeermeters, in opdracht van zijn familie. Zijn buit verstopt hij onmiddellijk, maar ook als de politie hem betrapt met geld, mag hij iets daarvan houden. Regelmatig vertonen de armen van de kinderen sporen van mishandeling vaak brandwonden door uitgedrukte sigaretten, maar ook messteken omdat ze aan het einde van de dag geen of te weinig geld inbrachten.

Nadat Patrick en Freddy weer een Roemeentje hebben opgebracht, worden ze in rue Guy Mocquet door een buurtbewoner op een naaktloper gewezen. Ze rennen, samen met een tiental ander îlotiers uit belendende buurten en nagestaard door onthutst winkelpersoneel, achter de man aan. Hij wordt uiteindelijk met gierende sirenes naar het psychiatrisch opvangcentrum gebracht. Op de Avenue de Clichy controleren ze een binnenplaats, waarvan bekend is dat Hadiba er zijn drugs verstopt. Op het bureau hebben ze een video laten zien, die vanuit een appartement aan de overkant is opgenomen. Hadiba, voortdurend in en uit lopend om vervolgens zogenaamd de hand te schudden van degenen die buiten staan te wachten, speelt er de hoofdrol in.

Hij dealt, zo duidelijk als wat. Al zeker veertig keer is hij opgebracht, maar vastzetten kan de politie hem niet omdat hij pas zeventien is. ,,Op 2 augustus is het gedaan met hem'', zegt Patrick lakoniek. ,,Ja, hij houdt ons bezig. We kennen hem al vanaf zijn elfde, maar de laatste tijd zitten we hem op zijn huid. Hij wordt nerveus, daarom schold hij ons ook uit. Hij kan geen kant op. Hij is net als de straathandelaars en de Roemeense jongetjes onderdeel van een systeem. Eigenlijk is de gevangenis zijn enige ontsnappingsmogelijkheid.''

Anders dan in alle omringende landen wordt gebruik van softdrugs in Frankrijk officieel niet getolereerd. De praktijk is anders. Op een parkeerplaats bij de ringweg staat een auto van buiten Parijs. De twee jongeren die erin zitten hebben een zakje weed bij zich. ,,Om de ellende te vergeten'' zegt de ene. Hij heeft geen werk, maar uit zijn zakken diepen de agenten een stapeltje honderd francs-biljetten op. Verdacht, oordeelt Patrick even later, maar de weed heeft hij niet in beslag genomen. Een uur eerder pakte hij iemand anders wel een reepje stuff af, dat hij, onder diens protest, in een straatput gooide. ,,Die probeerde ons om de tuin te leiden. Zijn houding stond me niet aan.''

Het beleid werkt willekeur in de hand, geven de agenten toe, maar voordeel is dat ook de kleine gebruiker ,,zich twee keer bedenkt alvorens zich op het hellende vlak te begeven.'' Maar 's avonds blijkt, dat de Franse aanpak minstens even bizar is als het Nederlandse gedoogbeleid. Muisstil en in het pikdonker betreden de agenten een flatgebouw. De ene maakt via de trap een omsingelende beweging, de ander trekt op zijn teken en met de hand op zijn revolver een deur open. Een dikke hashwalm komt naar buiten. Er staan acht jongens in de hal, van Noord-afrikaanse afkomst. Hun joints liggen op de grond. Doodkalm laten ze zich fouilleren. Een van hen trekt zijn mobieltje en bestelt een pizza. Ze hebben drie zakjes weed bij zich.

,,Ik kan jullie oppakken'', zegt Patrick. ,,Doe maar'' zegt de jongen met het mobieltje. ,,Morgenavond kun je me weer betrappen. Ik ben een kleine gebruiker, man, ik vind het gewoon lekker om wat te roken na het werk.'' Er wordt gelachen, de agenten lachen mee. Maar de weed wordt in beslag genomen, onder luid protest: ,,Jullie hebben onze avond verknald, geef ons tenminste die joints terug!'' Freddy weigert ,,want de laatste keer hebben jullie elkaar gewaarschuwd dat we eraan kwamen''.

De agenten vervolgen glimlachend hun weg, nagekeken door de groep jongeren. ,,Ze kijken of we hun spul niet in een prullenbak gooien'', zegt Freddy. Ze zullen weer nieuw spul moeten kopen: zo houdt de politie mede een systeem gaande. En is het niet hoe dan ook verspilde moeite? ,,Nee'' zegt Patrick. ,,Het is de wet''.