Vaccinatie is niet het echte probleem

De discussie over de huidige mond-en klauwzeercrisis is te veel gericht op het vaccinatiebeleid. Dat leidt de aandacht af van de werkelijke problemen in de veehouderij: gezondheid en welzijn van dieren, meent Bart W. Knol.

Europa heeft de laatste jaren achtereenvolgens te maken (gehad) met varkenspest, BSE en mond- en klauwzeer. De burger wordt zich nu ook terdege bewust van het abjecte gesleep met levende dieren door Europa. De gemeenschappelijke noemer van dat alles is de schaalvergroting in landbouw en veeteelt.

Wat de huidige crisis voor alles duidelijk maakt is dat er een grens is aan het economisch exploiteren van `huisdieren'. Alle dieren, zowel in het wild levende als huisdieren, hebben een bepaalde omgeving nodig om goed te kunnen functioneren. Dus moet de wijze waarop ze gehouden worden aan zekere voorwaarden voldoen. Maar voor boeren betekent dat kosten maken. En uit het oogpunt van bedrijfsvoering moeten boeren hun kosten juist zoveel mogelijk reduceren. Dus wordt bezuinigd op de voorwaarden voor een optimale dierhouderij. Dat kan makkelijk, want dieren klagen niet, demonstreren niet en stellen geen lastige vragen. Maar daardoor komt wel het welzijn van de dieren in het gedrang. Hier botsen dus de bedrijfseconomische belangen van de boer en de welzijnsbelangen van het dier.

In de moderne veehouderij loopt de gezondheid van de dieren onder normale omstandigheden geen gevaar. Maar omdat het nu gaat om infectieziekten zoals mond- en klauwzeer, die gemakkelijk van het ene dier op het andere overgaan, is dat wel het geval. Vanzelfsprekend is de verspreidingskans voor virussen enorm, als er veel dieren opeengepakt zitten op een bedrijf en er veel bedrijven zijn geconcentreerd in een regio. En die kans neemt onbeheersbare proporties aan als dieren geen afweerstoffen tegen het virus hebben kunnen opbouwen, zoals nu ten gevolge van het non-vaccinatiebeleid.

Hier botsen opnieuw belangen: de economische belangen van ons allen, met de gezondheidsbelangen van het dier. Want, zoals bekend, loopt de export gevaar als het non-vaccinatiebeleid wordt opgeheven. Er ligt dus een economisch motief ten grondslag aan de keuze voor een bepaalde wijze van dierziektenbestrijding, terwijl die natuurlijk alleen met succes kan worden uitgevoerd op basis van diergeneeskundige maatregelen.

Moet dan (massaal) gevaccineerd worden tegen mond- en klauwzeer? Misschien wel. Maar in elk geval moeten de diepere oorzaken van de opeenvolgende rampen in de veehouderij worden blootgelegd en bestreden. Een voor de hand liggende oorzaak is de industrialisering van de agrarische productie. Dieren worden daarin niet meer als dieren beschouwd, maar louter als productiefactoren, als dingen. Dat proces lijkt nu zover voortgeschreden, dat allerlei grenzen zijn overschreden. Beelden van varkens die worden verplaatst als waren ze een vracht aarde, en van koeien die liggen te roken op de brandstapel, doen mensen gruwen. Ook, of misschien juist, als ze niets van veehouderijsystemen weten.

De verontwaardiging daarover moet echter leiden tot het algemene besef dat die houderijsystemen moeten veranderen, en niet (alleen) tot het roepen van `geen brandstapels in Nederland'. Want die varkens in de grijper en die koeien op de brandstapel lijden niet meer. Hun lijden speelde zich af in de stallen van industriële agrarische ondernemers en werd door het publiek niet gezien. Die afschuwelijke beelden vertegenwoordigen dus slechts indirect een welzijnsprobleem van dieren. Maar wel een direct ethisch vraagstuk voor mensen: zijn er goede redenen om je zo van dieren te ontdoen?

Zonder nu te willen beweren dat biologisch boeren ons verder zal vrijwaren van infectieziekten en een panacee is voor dierenwelzijn, zal schaalverkleining toch een gunstig effect hebben. Althans schaalverkleining in de zin van minder dieren per bedrijf èn minder bedrijven per regio. Verkleining van de bedrijven zal tot verbetering van het welzijn leiden, omdat de houderij-omstandigheden beter kunnen worden aangepast aan de eisen die het dier stelt om goed te kunnen functioneren. Zeker als minimumeisen aan de houderijsystemen worden gesteld, op grond van de voortschrijdende kennis op het gebied van dierenwelzijn. De wettelijke basis daarvoor is met de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren al gegeven.

Dit alles zal de gezondheid van de dieren verbeteren. Wellicht zoveel dat een non-vaccinatiebeleid kan worden gehandhaafd en er dus ook geen verdere economische verliezen worden geleden. Zo bezien kan het pleiten voor vaccinatie dus gemakkelijk ontaarden in pleiten voor handhaven van de moderne industriële agrarische productiemethoden. Omdat daarmee dierziekten in de productiefabrieken op afstand kunnen worden gehouden en dus het systeem niet hoeft te worden veranderd.

Zoals er minimumeisen aan houderijsystemen moeten worden gesteld, moet ook de handel in en het transport van dieren nauwkeurig worden geregeld. Mogelijk moet de handel in dieren aan banden worden gelegd, maar in elk geval het transport. Er moeten strikte voorwaarden worden gesteld aan de omstandigheden waaronder dieren tijdens het transport worden gehouden, aan de transportmiddelen, de afstand en/of de tijd die met het vervoer is gemoeid en aan de bestemming. Het is blijkbaar rendabel om levende dieren heen en weer te zeulen door Europa. Maar zo goed als bepaalde houderijsystemen moeten worden uitgebannen, moeten ook bepaalde gebruiken in het veetransport verdwijnen.

De prijs is natuurlijk, dat er – Europabreed – voor voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong meer zal moeten worden betaald. Dat is voor de rijke Europeaan uiteraard geen ramp, hoewel het nog de vraag is of hij die consequentie uit zijn afschuw voor koeienbrandstapels en varkensgrijpers zal trekken. Want dat dieren echt duurder zijn dan dingen zal dan pas onmiskenbaar blijken.

Dr. B.W. Knol is dierenarts.