Schurkenstaat loost z'n schurken

Deze week praat de Veiligheidsraad over Somalië. Het land heeft voor het eerst in tien jaar weer een regering, maar wordt nog steeds als schurkenstaat gezien.

Er wordt nog nauwelijks gevochten en het land heeft voor het eerst in tien jaar weer een regering, maar Somalië blijft een geboycotte schurkenstaat. ,,Niemand heeft ons geholpen, we hebben alles zelf gedaan'', verzuchtte president Abdiquassim Salad Hassan onlangs, ,,we willen weten of de buitenwereld wel of niet wil investeren in vrede in Somalië.''

Burgers van de hoofdstad konden hun ogen niet geloven. Eerder deze maand werd voor het eerst sinds vijf jaar de gevangenis van Mogadishu in gebruik gesteld. Er zaten onmiddellijk vijftig gedetineerden in terwijl er buiten tientallen werklozen stonden te wachten of er een baantje als gevangenisbewaarder te vergeven viel. Tot nu toe waren de enige detentiecentra in handen van islamitische rechtbanken, die hun gevangenen in containers opsloten.

Er is meer opmerkelijks te zien in Mogadishu. In sommige delen van de stad lopen weer geüniformeerde politieagenten rond. Sterker, ze proberen door bandieten opgeworpen wegversperringen met geweld te verwijderen. Elders in de hoofdstad verblijven negenduizend militieleden van krijgsheren in demobilisatiekampen en de regering heeft voor het eerst in tien jaar weer een nationaal leger van vijfduizend man.

Het parlementsgebouw ligt in puin en in de ministeries ontbreekt het veelal aan stoelen, tafels, typemachines en computers. Ondanks deze infrastructurele problemen kwam het parlement onlangs bijeen in de politieschool, bivakkeren ministers in twee hotels en de president in een villa. Na tien jaar anarchistisch clangeweld begint Somalië een klein beetje de contouren van een natiestaat te vertonen.

De heropbouw bevindt zich nog in een embryonale fase, maar geeft hoop aan een oorlogsmoede bevolking, en vooral aan een jonge generatie die nooit orde en rust heeft gekend. Vorig jaar zag na drie maanden vredesoverleg in Djibouti de regering van president Salad en premier Ali Khalif Galaydh het levenslicht. Voor het eerst zwaaiden bij dit vredesoverleg niet de politiek-militaire leiders de scepter, maar traditionele en religieuze voormannen, zakenlui en academici, niet-gouvernementele en vrouwenorganisaties. De krijgsheren die Somalië te gronde richtten, mochten meedoen aan het beraad, maar alleen als lid van clandelegaties en met hetzelfde stemrecht als iedere deelnemer. De meeste militaire leiders lieten het daarom afweten in Djibouti.

De ruim tweeduizend gedelegeerden in Djibouti beriepen zich op Afrikaanse tradities van urenlang praten om door consensus een oplossing te zoeken. Ze boekten een opvallend resultaat, maar de meeste krijgsheren legden zich daar niet bij neer. Toen Salad onder groot gejuich door de bewoners van Mogadishu werd binnengehaald, hielden ze zich afzijdig. Vervolgens begonnen ze ministers en parlementsleden te bedreigen en te ontvoeren. Twee krijgsheren in de hoofdstad sloten zich bij de regering aan, maar de overigen lieten ambtenaren van Salad niet toe in de door hen gecontroleerde stadsdelen. Ze vergaderden vorige week in Ethiopië en richtten een samenwerkingsverband tegen president Salad op om, in de woorden van krijgsheer Hussein Farah Aideed, ,,de verzoeningsproblemen van Somalië'' op te lossen.

De krijgsheren verloren de afgelopen jaren aanzienlijk aan invloed, omdat zakenlui weigeren hun nog langer `belastingen' te betalen. Maar ze zijn nog niet verslagen. In zijn eerste rede op Somalische bodem in augustus beloofde president Salad dat er geen plunderingen en moorden meer zullen plaatshebben. Hoe hij dit doel bereiken wil, vertelde hij niet. ,,Ik ga niet onderhandelen met krijgsheren'', aldus Salad, ,,ik onderhandel met burgers. De krijgsheren kunnen het niet opnemen tegen de wil van het volk.''

Die stelling bleek naïef. De zakenwereld en de milities van de islamitische rechtbanken sloten de gelederen achter Salad, maar stonden machteloos toen de krijgsheren grote delen van het land afsloten voor de regering. ,,De regering heeft in de afgelopen zes maanden haar legitimiteit gevestigd, maar oefent nog weinig effectieve controle uit'', concludeert een hoge diplomaat die betrokken is bij het vredesproces.

Somalië is sinds de laatste regering in 1991 een free for all gebied geworden. Chemische bedrijven dumpen er hun afval en buitenlandse boten vissen de Indische Oceaan voor de Somalische kust leeg. Egypte, Eritrea, Soedan, Libië en islamitische extremisten uit de hele wereld steunen uit eigenbelang afwisselende milities. Maar Salad wordt nog het meest dwars gezeten door Ethiopië.

De machthebbers van Ethiopië, die afstammen van boerenvolkeren, leven al eeuwenlang op gespannen voet met de nomadische Somaliërs. Historische onenigheid aan Somalische zijde over in 1954 door Ethiopië geannexeerd gebied leidde in 1977 tot een grootschalige grensoorlog. Sindsdien hebben beide landen altijd elkaars rebellenbewegingen gesteund. Ethiopië is gebaat bij een stabiel maar zwak Somalië. Daarom steunt het een federale oplossing zonder sterk centraal gezag, waarbij Somalië wordt opgedeeld in semi-autonome delen.

,,Ethiopië heeft er alles aan gedaan om de regering van Salad te saboteren'', oordeelt een hoge diplomaat. Het levert wapens aan de krijgsheren en zond duizenden troepen om hen bij te staan. Pas toen enkele maanden geleden de Verenigde Staten tevergeefs aan de Veiligheidsraad hadden voorgesteld om het wapenembargo tegen Ethiopië op te heffen (wegens het einde van de oorlog met Eritrea), trok het een groot deel van zijn troepen uit Somalië terug. Ondanks ooggetuigen die het tegendeel beweren, ontkent de Ethiopische regering elke militaire betrokkenheid in Somalië. Op haar beurt beschuldigt ze Salad ervan een extremistische islamitische fundamentalist te zijn.

Ethiopië is na de overwinning op Eritrea met een leger van 400.000 man een regionale supermacht geworden. Zonder grootschalige buitenlandse steun, die de Ethiopische invloed kan neutraliseren, maakt de nieuwe regering weinig kans Somalië uit zijn anarchistische waanzin te verlossen. Tussen 1992 en 1995, tijdens de mislukte vredespogingen van de VN, werd aan Somalië vijf miljard dollar gespendeerd. De regering van Salad heeft van het buitenland tot dusver veel mooie woorden, maar geen cent gekregen.