Emotie-slagveld in vijfde Mahler

Hartmut Haenchen luisterde vrijdag in het Amsterdamse Concertgebouw naar Mahlers Tiende symfonie, die onder leiding van Riccardo Chailly werd gespeeld door het Koninklijk Concertgebouworkest ter herdenking van de vijftigste sterfdag van Willem Mengelberg. Zaterdagavond dirigeerde Hanechen daar zelf Mahlers Vijfde symfonie, alweer een markant onderdeel van zijn zeer opmerkelijke Mahlercyclus bij het Nederlands Philharmonisch Orkest, waarin hij de door Mahler onvoltooid achtergelaten Tiende overigens niet zal dirigeren. Haenchen werpt in zijn cyclus met de `officiële' Mahler een uniek en hoogst persoonlijk licht op de componist en dirigent, met wie hij zichzelf in een reeks boekjes met `fictieve brieven' van Mahler bijna lijkt te identificeren.

Het is overigens de vraag of Haenchen zijn Mahlercyclus, zoals voorzien, in september volgend jaar kan afronden met twee uitvoeringen van de massale en monumentale Achtste symfonie. De compromisloze dirigent heeft aangekondigd te zullen vertrekken als er inderdaad op zijn orkest wordt bezuinigd, zoals de commissie-Hierck heeft voorgesteld. Het zou voor de Nederlandse muziekwereld een groot verlies zijn, nog schrijnender voor de consciëntieuze en loyale Haenchen zelf, die zich vijftien jaar met zijn orkest en met zijn directies bij de Nederlandse Opera onschatbaar verdienstelijk maakte.

Maar ook al zou Haenchen deze laatste Mahlers nog wel willen dirigeren, vreest het orkest dat door de late definitieve besluitvorming door staatssecretaris en Tweede Kamer over de beschikbare financiën voor het orkest, het in de praktijk heel lastig zal zijn om zo'n mega-Achtste te organiseren.

Anders dan Chailly, die bij zijn Mahlervertolkingen de componist explicieter beschouwt als muzikaal avantgardist, legt Haenchen meer de nadruk op het emotionele en autobiografische in Mahlers muziek. Dat blijkt het opvallendst in de langdurige climaxen, waarbij het melodische stokt en een schijnbaar ongestructureerde hoeveelheid noten klinkt. Chailly presenteert ze als voorlopers op de naoorlogse klankvelden. Haenchen schildert ze veel beeldender als pure chaos op het slagveld van Mahlers strijdende gevoelens, die hij beschrijft in termen als wanhoop en radeloosheid, berusting in woordeloze, niet geklaagde smart, smartelijke hartstocht, verderop echoënd in `het verre donderen van het wereldwijde woeden'.

Dat resulteert in een ongekend krachtige, felle en heftige Vijfde, op veel plaatsen verpletterend verhevigd, mede dankzij het door Haenchen ingezette effect, waarbij tijdens een crescendo (volumevergroting) ook nog een ritardando (vertraging) wordt ingezet. Strijkerspassages worden sterk gekleurd door de blazers, de contrasten tussen verstilde pizzicati en overdonderende tutti zijn maximaal.

Haenchen vat het beladen Adagietto op als een liefdesverklaring aan Mahlers echtgenote Alma, al hangt er, in de toelichtende woorden die Haenchen als `de fictieve Mahler' schrijft, ,,in deze muziek ook al een atmosfeer, een voorgevoel van naderend onheil.'' Haenchen laat dat horen door het Adagietto te spelen als een door de zon opgelichte witte wolk, terwijl een duisterder lucht in beeld komt.

De 18-jarige Russische Alina Pogostkin, die vooraf de soliste was in het Vioolconcert (1935) van Alban Berg, kon daarin weinig indruk maken. Haar toon was niet alleen vaak te klein ten opzichte van de veelal forse orkestbegeleiding, maar ook haar instelling was al te bescheiden. Ze miste in dit etherische stuk de bewogen intensiteit die essentieel is voor deze muziek, gecomponeerd na de dood van het kind van architect Walter Gropius en Mahlers weduwe Alma. Te grote ingetogenheid lijkt kenmerkend voor Pogostkin, want die beheerste zelfs haar toegift: Paganini mag véél spectaculairder.

Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen Gehoord: 24/3 Concertgebouw Amsterdam. Herh.: 26/3(A'dam); 27/3 Vredenburg Utrecht.