Bloedkoralen snoeren van gehakt

De kinderen van de Tweede Daltonschool in Amsterdam, die zaterdag in deze krant aan het woord werden gelaten, kwamen in hun discussie over het eten van vlees uit bij een cruciaal punt: `Dieren kunnen niet denken'. Waarop een ander kind gewoon terug zei: `Het is gemeen'. Het is een soort korte samenvatting van twee standpunten: dieren hebben geen bewustzijn dus komt de dood voor hen ook niet zoals voor ons, wat ze overkomt, overkomt ze gewoon daarom is het niet erg ze te slachten en op te eten. En het andere: wij zijn wel in staat ons voor te stellen wat het is om naar het slachthuis gebracht te worden, om bang te zijn, om lange transporten te ondergaan, wij weten wat het voor ons betekent te leven laat dat voor dieren ook gelden.

Of mensen, ondanks hun vermogen om zich in een ander in te leven, zich erg in dieren inleven is overigens de vraag. In diezelfde zaterdagkrant stond onbekommerd: `Pluimvee mag weer naar het slachthuis'. Je zag de vrolijke kippenfamilies al weer op weg naar het uitje dat ze zo lang hadden moeten missen. Het deed onweerstaanbaar denken aan het verhaal `De trechter' van Anton Koolhaas, een schrijver die zich meer dan wie ook moeite heeft gegeven om zich in de condition animale in te denken. In dat verhaal spreken koninklijke kalkoenen op zeer deftige wijze met elkaar over het einde van het leven: `Hoe gaat gij sterven?' `Gelijk gij sterven zult, knorrige koning. De poten aaneengesnoerd en vol van grote trekkingen.' De trechter en het mes die een einde zullen maken aan het leven van de kalkoenen worden door de dieren zelf tot iets verhevens gemaakt. Kleine kalkoentjes wordt al toegefluisterd `aan het einde wacht het mes' en hun wordt ingeprent door de ouderen dat ze op waardige wijze dienen te sterven, door zelf de kop in de trechter te steken en de poten aan te bieden ter binding. Toch daagt er bij een enkele kalkoen iets van de mogelijkheid dat er ook nog een ander leven zou kunnen zijn, een andere wereld, niet in dienst van het mes.

Nu dieren in grote getale afgemaakt worden waarvoor we in onze newspeak het woord `ruimen' gebruiken dringt de vraag zich meer op dan ooit: of we wel dieren moeten fokken met geen ander doel dan ze op te eten. Of we van dieren wel machines mogen maken waarbij het enige dat telt het rendement is, nooit hun leven. De intensieve veehouderij wordt steeds zichtbaarder iets weerzinwekkends. Rottige levens die niet geteld worden maar alleen uitgedrukt worden in geld. Gezonde dieren die worden afgeslacht (en niet vervolgens opgegeten blijkbaar zit daar toch het verschil tussen wat wel en niet te verdragen is) om te voorkomen dat ze een ziekte krijgen of verspreiden, een ziekte die voor de meeste van hen niet eens dodelijk is, alleen erg onaangenaam. Waartegen we ze niet inenten, hoewel dat kan. Het is allemaal pure wreedheid en veronachtzaming van wat een leven, ook een dierenleven, is. Alleen vanwege de verdiensten.

Maar wat is het dan, een dierenleven? In het meesterlijke boek van J.M. Coetzee Dierenleven gaat het een tijdlang over die vraag. Het boek bestaat grotendeels uit de lezingen die een schrijfster aan een universiteit geeft. Ze vindt het belangrijkste van leven niet dat iemand in staat is om te zeggen: `Ik denk' dat vindt ze zelfs erg oninteressant. ,,Tegenover het denken, het bespiegelen, stel ik het vervuld zijn, belichaamd zijn, de sensatie van het zijn (...) een hoogst gevoelsmatige sensatie dat je een lichaam bent met ledematen die de ruimte insteken, dat je levend bent voor de wereld.'' Die sensatie hebben mensen en dieren volgens haar gemeen. De ervaring van het vervuld zijn van leven wordt aangeduid met `vreugde'.

Deze schrijfster gaat in haar lezingen gruwelijk ver, ze insisteert op de overeenkomsten tussen de dodenkampen van de Nazi's en onze `productie-inrichtingen' (boerderijen) en abattoirs, ze maakt geen enkele praktische opmerking, doet geen enkele suggestie van hoe we dan wèl met dieren om zouden moeten gaan (het varken laten uitsterven?), ze laat het levend-zijn van planten buiten beschouwing en stapelt argumenten op die niet speciaal logisch of helder zijn. ,,Haar vak ook niet, argumentatie'', denkt haar zoon, hoofddocent natuurkunde aan dezelfde universiteit. Coetzee heeft het uiterst slim aangepakt in dit boek, hij kan zijn spreekster onbekommerd emotionele argumenten en vergaande vergelijkingen laten maken en die ook laten tegenspreken door andere personages of ze smakeloos of ondoeltreffend laten vinden. Maar toch krijgt zijn Elizabeth Costello wel de gelegenheid om haar standpunt zo uitvoerig uiteen te zetten dat wie het leest niet maar zo makkelijk kan denken: wat een warhoofderij. Integendeel.

Hier moet ik misschien iets zeggen voor ik verder ga: ik vind vlees lekker. Ik schrik ook niet van vlees dat eruit ziet als vlees – kalfstong maak ik graag klaar, ik heb wel eens met plezier het karkas uit een eend verwijderd om vervolgens de zak van vlees en huid te vullen en te braden. Verse biefstuk vind ik lekker ruiken en eet ik graag rauw. Ik voel me helemaal niet van nature louter een planteneter.

Craig Raine schreef eens een gedicht waarin een slager als een soort verleider optreedt en zijn damesklanten `bloedkoralen snoeren van gehakt' aanbiedt, `beslagen hart uit de vriescel, een zwijnspoot/ als kwaadaardig boeket'. Het klinkt smerig. Toch heb ik als meisje wel gefantaseerd over het leren uitbenen van een koeienkarkas, met een scherp mes mooie fileetjes snijden, peesjes en vliezen verwijderen om de ossehaas in al zijn zachte glorie bloot te leggen.

Maar een beschaafd mens kan geen vlees uit de bio-industrie meer eten. Het kan niet. Het mag niet. Het moet ophouden. Koeien moeten een koewaardig leven kunnen leiden, de vreugde kennen die hoort bij het een levend lichaam zijn, zoals Elizabeth Costello dat zo treffend heeft uitgedrukt, en niet `geruimd' worden omdat de Japanse markt geen vlees van ingeënte koeien wil.

Laatst werd ergens een boer geïnterviewd die zei dat hij zijn koeien gewoon nog bij naam kende. Hij had een overzichtelijke boerderij (geen `productiebedrijf'), boerde biologisch, hield zijn dieren niet binnen als dat niet nodig was, gaf ze normaal voedsel en geen verhakselde hersenen van soortgenoten. Van zijn Neeltje of Klara zal ik met plezier een stukje braden en opeten. Niet te veel. Groenten zijn ook heerlijk.