Voortplanting mag niet verworden tot experiment

Kinderkans of kinderkeus? Over deze vraag houdt De Rode Hoed in Amsterdam in samenwerking met NRC Handelsblad maandagavond een debat. Daarbij zal het gaan over de medische toepassing van DNA in voortplantingskwesties.

Vandaag alvast vijf argumenten voor en tegen gentechnologie bij het verkrijgen van nageslacht.

H. Galjaard ziet nieuwe perspectieven. Maar volgens R. Seldenrijk dreigt een gezondheidscultus te ontstaan die in strijd is met humanitaire solidariteit.

1. Bij onvruchtbaarheid en kinderloosheid is de opofferingsgezindheid van vrouwen (te) groot.

De verbreiding van technieken om in te grijpen in de menselijke voortplantingsprocessen geeft ernstige problemen ten aanzien van de verschuldigde eerbied voor de waardigheid van de persoon, zijn seksualiteit en het overdragen van het leven. De voortplanting wordt een experiment. De succeskansen zijn betrekkelijk klein: ongeveer 10% van de transplantaties van embryo's gelukt. Alle risico's worden nog lang niet overzien. Dat bleek toen in 1988 in het Rotterdamse Dijkzigt Ziekenhuis de kweekvloeistof was besmet met het hepatitis-B virus: 52 zieke vrouwen ziek en vernietiging van ruim 100 embryo's.

De lichamelijke en psychische belasting van IVF zijn niet gering. De vrouw moet zich met lichamelijk ongemak en het overwinnen van psychische weerzin onderwerpen aan de technische, stimulerende, sturende en controlerende handelingen van de arts. De man zorgt voor de zaadlozing, maar zonder lichamelijke vereniging met zijn vrouw. Er wordt niet meer verwekt, maar alleen bevrucht. Het echtpaar moet afstaan, opleveren en toestaan.

2. Prenatale en pre-implantatie- diagnostiek wekken een verkeerde indruk

Prenatale en pre-implantatie-diagnostisch (pd en pid) geven soms diagnostisch foute informatie. Dat kan betrekking hebben op de aard en de omvang van de aandoening. De garantie op een gezond kind is na pd en pid nog een illusie. Invoering van deze methode doet het ouderlijk eisenpakket veranderen (prenatale selectie).

De natuur wordt behandeld als verdachte en het ongeboren leven wordt in zijn existentie bedreigd. Een kind met een handicap wordt opgevat als `mislukte preventie', terwijl absolute preventie onmogelijk is. Men vergeet dat elk mens beschikt over een `dignitas aliena', een (aan God) ontleende waarde. Pre-conceptioneel onderzoek verdient dan ook de voorkeur boven prenatale en pre-implantatie-diagnostiek.

3. Experimenten met embryo's kunnen dienen als voertuig voor eugenetische doelstellingen.

Het verbeteren van het menselijk ras heeft terecht een negatieve connotatie. Van eugenetica is sprake als de ingreep betrekking heeft op menselijke eigenschappen en niet op een bepaalde ziekte, én als de resulterende verbeteringen worden doorgegeven aan het nageslacht via experimenten met embryo's of geslachtscellen. Plato pleitte er al voor dat alleen mensen met bepaalde wenselijke eigenschappen kinderen zouden mogen krijgen. Via IVF beschikken we over bevruchte eicellen en daarmee kunnen we experimenteren, bijvoorbeeld kloneren.

Zo worden genetische selectie en genetische modificatie van mensen in hun prilste levensfase mogelijk (gemodificeerde organismen zijn minder stabiel). Hoewel dit in allerlei variaties wordt verwoord, gaat het bij eugenetica vooral om de mensheid gelukkiger, het volk sterker en het ras gezonder maken, om uitschakeling van 'gedegenereerde' individuen én opoffering van de erfelijk belaste mens in het belang van de gemeenschap en de toekomst.

4. Wanneer niet van meet af aan duidelijk is welk criterium wordt gehanteerd, lopen discussies over de status van het embryo onherroepelijk vast.

De embryoloog bestudeert niet het beginnende leven, maar leest de levensverschijnselen af. Dat gebeurt naar uiterlijke of inwendige vormverschijnselen. Het gaat niet om afzonderlijke, op zichzelf staande processen, want vanaf de conceptie is er een continue ontwikkeling; statische momenten zijn illusies die men stadia noemt terwille van ons begrip. Deze hypothetische stadia mogen niet worden gebruikt in ethische discussies over de waarden van het embryo. Evenmin is er reden voor het begrip `pre-embryo', dat ten onrechte een andere ethische status suggereert. Wanneer we zo discussieren hebben we van de beschrijvende embryologie niets begrepen.

Alleen op grond van intrinsieke criteria kunnen we ons een objectief oordeel vormen over het respect dat we aan het embryo zijn verschuldigd. Biologisch gezien begint het menselijk leven vanaf de conceptie. De intrinsieke finaliteit van het embryo ligt besloten in het ontwikkelingsprogramma dat wordt gestuurd door de chromosomen, waarvan de samenstelling vanaf de conceptie vastligt. Experimenten met embryo's beloven een enorme vooruitgang van de geneeskunde. Experimenten die uitlopen op vernietiging van embryo's of hun grote schade toebrengen, zijn evenwel niet gerechtvaardigd. Een fundamentele regel in de ethiek is: het doel heiligt niet de middelen.

5. Het gebruik van DNA-technologie draagt bij aan een gezondheidscultus die in strijd is met humanitaire solidariteit.

In het domein van de natuur geldt de wet van het existentiële risico. Dat wil zeggen: de wereld moet worden verdragen zoals ze is. Er bestaat maar één weg om aan deze harde werkelijkheid van existentiële risico's te ontkomen: de sociale gemeenschap. Humanitaire solidariteit bedoelt niet de veel gebruikte 'kleine' solidariteit, die af- en aanrolt op de golven van ons medelijden en die exclusief is gericht op zogeheten zielige, gebrekkige, zwakke mensen in onze samenleving. Dit soort medelijden wil alleen het lijden uit de wereld helpen, zonder daar ooit in te kunnen slagen. Doorgaans komt dit voort uit ons onvermogen om het lijden te accepteren als onvervreemdbaar aspect van het leven.

Er zijn situaties die we moeten accepteren, waartoe we ons moeten leren verhouden (ethiek van de passiviteit). `Grote' solidariteit is een actieve acceptatie van het tragische leven. Die enerzijds kan worden vertroebeld in onze modern-optimistische beheersingsroes, die zich enkel richt op het biologische lichaam. Anderszijds kan de solidariteit worden worden verstrikt door een blind soort helpen, waarbij een scherp oog voor het lijden gepaard is aan een onvermogen om het te verdragen. Het effect van niet op de goede manier met solidariteit omgaan is een `kleine' gezondheidsopvatting, een `kleine' gezondheidszorg ook en een discriminatie van mensen (bijvoorbeeld met een handicap).

Dr. R. Seldenrijk is directeur van de 70.000 leden tellende Nederlandse Patiënten Vereniging.

DISCUSSIE: www.nrc.nl