TAALGRENS BIJ DE VOORDEUR

Bersen Can was zes jaar toen zij van Turkije naar Nederland verhuisde. Zonder dat ze één woord Nederlands sprak kwam ze terecht in wat toen nog de eerste klas van de lagere school heette. ``Ik voelde me doofstom'', vertelt ze met een verlegen lach op haar gezicht. ``En natuurlijk bleef ik zitten.''

Can traint nu nieuwe medewerkers bij Philips. Ze spreekt vloeiend Nederlands met een zachte `g' en heeft inmiddels zelf twee dochters. Haar gevoelens van onmacht en eenzaamheid uit haar vroegste schooltijd wilde ze haar eigen kinderen besparen, door ze al vroeg Nederlands te leren. Maar het consultatiebureau adviseerde anders. ``Er werd gezegd dat mijn dochter maar een klein geheugentje had en dat ze in de war zou raken als ik met Nederlands begon. Ik kon beter alleen Turks blijven praten met haar.'' En dat deed Can. ``Ik beschouwde het als een goede tip.''

Maar was het dat ook? Nu kwam haar dochter Dilara Can (4) net als veel allochtone leeftijdgenootjes in groep één met nauwelijks enige kennis van de Nederlandse taal. En het is bekend dat allochtone kleuters de taalachterstand die ze aan het begin van hun schoolcarrière hebben niet of nauwelijks meer inhalen. Het is wrang dat Dilara wellicht onnodig in diezelfde slechte uitgangspositie werd gemanoeuvreerd.

``Wij adviseren allochtone ouders inderdaad met hun kind te praten in hun moedertaal, de taal waarin zij zich het meeste thuis voelen'', aldus Jacqueline de Vries, stafmedewerker bij koepelorganisatie LCOKZ (Landelijk Centrum Ouder en Kind Zorg). ``De reden is dat kinderen tussen hun tweede en vierde jaar de grammaticale structuur van een taal leren. Als je dat in één taal goed onder de knie hebt, kun je het ook in een andere taal leren. Leer je van je ouders gebrekkig praten, dan heb je op dat gebied een achterstand.''

``Het advies aan deze Turkse moeder lijkt me eerder ideologisch dan praktisch gemotiveerd'', zegt prof. dr. René Appel, bijzonder hoogleraar Verwerving en Didactiek van het Nederlands als Tweede Taal aan de Universiteit van Amsterdam. ``Het gaat uit van het algemene idee dat het goed is dat in dit geval de Turkse gemeenschap de eigen taal behoudt en dat allerlei maatschappelijke activiteiten daaraan moeten bijdragen. Op zichzelf is daar niets tegen. Maar zo'n idee wordt een ideologie en vervolgens een dogma en dat is iets waar ik mij heftig tegen verzet. Als een moeder goed Nederlands spreekt en zij wil die taal graag met haar kind spreken, dan moet je dat niet afwijzen. Maar ook dat moet geen dogma worden. Als een moeder met haar kind Turks wil spreken, kun je haar niet opleggen om Nederlands te spreken.''

De consultatiebureaus baseren hun advies op de veronderstelling dat allochtone ouders het Nederlands onvoldoende beheersen om het goed aan hun kinderen over te dragen. Maar veel jonge allochtone ouders zijn nu kinderen van de tweede generatie, kinderen die hier geboren en getogen zijn. Zoals Nurêen Caglr (26), geboren in het Brabantse Roosendaal. Zij woonde tussen haar zevende en twaalfde jaar in Turkije, maar spreekt vlekkeloos Nederlands. ``Met mijn zussen praat ik soms Turks en soms Nederlands. Het ligt aan het onderwerp. Over gevoelens praten we meestal in het Turks.'' Ze lacht. ``En als de kinderen het niet mogen verstaan praten we Nederlands.'' Ook Caglr voedt haar kinderen op advies van het consultatiebureau op in één taal, het Turks. ``In het Nederlands kan ik mijn gevoelens minder goed uitdrukken en dat vind ik niet eerlijk naar mijn kinderen.'' Zij zelf trekt de taalkundige scheidslijn bij de voordeur. Binnen is zij `anne', buiten is zij `mama'. ``Buiten denk ik ook in het Nederlands.''

``Als het goed is, wordt er binnen de consultatiebureaus niet één standaardadvies gegeven, maar wordt er gekeken naar wie er aan de andere kant van de tafel zit'', reageert Jacqueline de Vries. Maar hoe die adviezen op maat er uit moeten zien, daarvoor zijn geen richtlijnen. ``De zorg wordt overgelaten aan het eigen inzicht van de medewerker'', vindt Mayke Wala, stafarts bij de Thuiszorg in Rotterdam. ``Wij benadrukken vooral het belang van véél praten, of dat nu in het Turks, het Marokkaans of in het Nederlands is, om kinderen zo met veel begrippen in aanraking te brengen. En we adviseren ouders hun kind naar een peuterspeelzaal te doen.''

Verpleegkundige Karin Willems op het consultatiebureau in de Rotterdamse wijk Crooswijk adviseert allochtone ouders om sowieso in hun moedertaal met hun kinderen te praten, om zo een goede basis te verkrijgen. ``Als ouders goed Nederlands spreken adviseer ik ze wel om bijvoorbeeld op bepaalde momenten Nederlands te spreken, zoals bij het voorlezen.'' ``Tja, dat klinkt aardig'', reageert Appel hierop. ``Maar bij voorlezen gaat het vooral om het samen praten over het verhaal, de plaatjes bekijken, vragen stellen. Dat zijn momenten waarop kinderen heel veel leren, niet alleen over dat verhaaltje, maar over hoe de wereld in elkaar steekt, over emoties, noem maar op. Dan krijg je toch een soort geforceerde interactie met de kans dat zo'n voorleeskwartiertje veel minder rendement oplevert dan wanneer de moeder het in de moedertaal had voorgelezen.''

``Mensen beginnen vaak met de taal, maar de taal is in feite slechts de kruiwagen waarmee je vaardigheden en kennis overbrengt'', zegt Appel. ``Waar het om gaat is de ontwikkeling van het kind. Veel allochtone kinderen uit lagere sociale milieus hebben naast een taalachterstand een ontwikkelingsachterstand. Ze komen op school zonder ooit geknipt en geplakt te hebben, zonder dat ze de begrippen `onder' en `boven' kennen.'' Die ontwikkelingsachterstand moet je aanpakken of liever nog voorkomen, vindt Appel.

Bersen Can en Nurêen Caglr zijn sterk gemotiveerd om hun kinderen in dat opzicht te steunen. Samen met nog zestien andere Turkse moeders volgen zij daarom het opvoedingsondersteuningsprogramma Opstap. Dit tweejarig programma behandelt uiteenlopende thema's en zet moeder en kind letterlijk aan het werk: dagelijks knippen, plakken, kleuren en praten ze samen een kwartiertje. Can en Caglr volgen het Turkstalige programma. ``Ik vond het wel raar dat Dilara door Opstap wel wist hoe een puntenslijper in het Turks heette, maar niet in het Nederlands'', zegt Can. ``En het eerste half jaar op school had ze het heel moeilijk, maar nu maakt zij al hele zinnetjes, en daar ben ik trots op.''