Soortelijk gewicht

Het meest intrigerende aan het rapport van de commissie-Oosting (die de vuurwerkramp in Enschede onderzocht) is de snelheid waarmee het zinkt in water. Met een volume van 3,6 dm³ en een gewicht van 4,2 kilo heeft het een soortelijk gewicht van maar liefst 1,2 gram per cm³. Hier is papier gebruikt dat vèr staat van het naaldwoud waaruit het werd bereid. De kaften niet meegerekend bevat het 442 bladen met een totaal oppervlak van 27,5 vierkante meter: dus 150 grams papier. Prima houtvrij materiaal, boordevol lijm en vulmiddel dat elke archivaris overleeft.

Het genoemde gewicht werd in de postkamer vastgesteld. Schattingen door tien voetstoots gekozen vrijwilligers leverde een reeks vermoede gewichten op van 4-3-5-6-3-3,5-2-3-3,5-2,2 wat neerkomt op gemiddeld 3,5 kilo. Dat zit er bijna twintig procent naast, maar is toch niet zo gek. Het zou interessant zijn te onderzoeken op welk bedrag respondenten uitkwamen die het rapport een maand geleden even in handen hadden en het sindsdien, om wat voor malle reden ook, niet meer hebben beetgepakt. Komen die hoger uit omdat ze zo onder de indruk waren of lager, omdat ze het gewicht al weer vergeten zijn? Een enkeling kan dat misschien in eigen kring onderzoeken.

Het experiment is van belang omdat het overeenkomt met de wijze waarop de commissie-Oosting de inventaris van de verschillende loodsen en containers van S.E. Fireworks reconstrueerde. Zij vroeg aan vier vuurwerkwerkers hoe vol de loodsen en boxen in hun herinnering lagen en berekende vervolgens het aantal kubieke meter verpakt vuurwerk. Dat werd vermenigvuldigd met het gemiddeld soortelijk gewicht van een vuurwerkdoos et voilà: 177 ton vuurwerk. Te veel!

De commissie beschouwde een overeenkomst in de opgaven van de werkers als een aanwijzing dat het ook juist was wat ze zeiden. Zij ging voorbij aan mogelijke systematische fouten in hun opgaven en ze heeft zich niet (merkbaar) afgevraagd wat de spreiding is in het soortelijk gewicht van verpakt vuurwerk.

Van de enige loods (C3) die die beruchte zaterdag nog in intacte staat werd bekeken meldde een brandweerman in een proces verbaal `dat hij voor de helft gevuld was met dozen. Deze waren manshoog opgestapeld.' Maar de commissie gaat af op de werknemers van Fireworks, die kennelijk zeiden dat hij maar voor 15 procent vol was. Nagenoeg leeg.

Ook in de onderliggende inspectierapporten staan de methodologische onzuiverheden staan manshoog opgestapeld. Feiten en interpretaties worden zonder scrupules door elkaar geroerd. Als een container volgens de literatuur pas na een half uur kan `doorslaan' dan is dat kennelijk ook gebeurd. Als een steekvlam maar uit één container kan komen, dan heeft de brandweer hem daar ook uit zien komen. Tijden die onweerlegbaar vast staan (omdat ze van een geluidsband zijn gehaald) worden in de verschillende rapporten (vooral dat van de Inspectie Brandweerzorg) vermengd met tijdopgaven die onmiskenbaar zijn afgeleid uit herinneringen of redeneringen. Het leidt tot ongerijmdheden waar niemand meer uitkomt: de ene brandweerploeg komt vroeger aan dan gezien de gemelde vertraging mogelijk is, de ander begint zeven minuten later aan het blussen dan gezien de gemelde aankomsttijd haalbaar lijkt. `Oosting' heeft het maar helemaal weggelaten.

Het lijkt wel of brandweerinspectie en rampcommissie de juiste tijden niet weten wìlden. Als de tijdregistratie op de geluidsband van de alarmdienst van de ambulance 30 seconden uit fase is met die van de brandweer vindt de inspectie het niet de moeite waard om daarvoor te corrigeren. Als tot haar verrassing op de vermaarde foto's van de Enschedese fotograaf Reinier van Willigen ook de tijd blijkt vastgelegd komt zij er niet toe van die registratie het juiste gebruik te maken.

Van Willigens automatische digitale camera noteerde de tijd in gehele minuten. Bovendien stond zij nog ruwweg op wintertijd. De vraag was: hoe moest er worden omgerekend? De laatste foto die Van Willigen voor de explosies maakte gaf de sleutel: hij toont de steekvlam die volgens een andere, overtuigende registratie om 15.33.55 verscheen. Zeg: 15u34. De camera noteerde 14u39. Dan moet bij Van Willigens tijd 55 minuten worden opgeteld, vond de inspectie.

Op grond van alleen die gebeurtenis zou elk ander liever 54,5 plus of min 0,5 minuut hebben gekozen. Maar er was een extra hulpmiddel voor de tijdbepaling dat de inspectie ontging: na de steekvlamfoto fotografeert Van Willigen de door de voorlaatste explosie beschadigde entree van het Fireworks-kantoor. Uit een aantal overwegingen valt af te leiden dat het dan nagenoeg op de kop af één minuut later is. Maar de camera noteert: 14 uur 41, dus twee minuten later. Technisch kan dat, maar dan is de volgende conclusie dat bij Van Willigens tijd beter 54 minuten (plus of min 0,5 minuut) kan worden opgeteld. Die ene minuut verschil kan voor de finale interpretatie van het enigszins raadselachtige brandweeroptreden cruciaal zijn.

Toch zat er in de brandweerinspectie wel één inspecteur die even rekenen wilde. Hij was het die begreep hoe het kwam dat de enorme knal die vlak voor 15 uur 36 hoorbaar wordt in het dramatische gesprek van een `onbekende burger' met de alarmcentrale (`Ter hoogte van richting Bleek is een enorme...'- einde contact) meerdere seconden later op de band kwam te staan dan het moment waarop de explosie volgens de KNMI-seismograaf plaatsvond.

Een aardig voorbeeld van ongecijferdheid is nog te vinden in de onverwacht technische opgave van de commissie dat het waterkanon `niet vanuit de grond [een brandkraan] maar vanuit de brandweerwagen' werd voorzien van water. De wagen bevatte 2000 liter water. Het kanon heeft minstens twintig minuten gewerkt.

(Met medewerking van Harm van den Berg)