KPMG is te lief geweest voor Peper

In de zaak-Peper wordt de kern niet geraakt, vermoedelijk met opzet. De in het oog vallende bevinding was dat van een aanmerkelijk aantal uitgaven de `functionaliteit' niet vastgesteld kon worden. Dat lijkt onschuldig: KPMG kon niet zeggen dat het goed was, en evenmin dat het fout zat.

Wezenlijk voor het oordeel is echter dat de functionaliteit vastgesteld behoort te kunnen worden. Als ik zo maar iemand een nota stuur met de omschrijving `voor verleende diensten', en die persoon informeert hoe ik daarbij kom, kan ik toch niet zeggen: `Doe niet zo bureaucratisch! Ik heb het veel te druk voor die beuzelarijen! U moet mij vertrouwen!'

Maar dat was in wezen wél de regeling waartoe B en W van Rotterdam op 21 januari 1994 besloten toen zij bepaalden dat de functionaliteit van hun uitgaven niet vastgelegd behoefde te worden. Daarmee werd de volstrekt normale verdeling van de bewijslast afgeschaft.

Wat de rapporten van de COR en van KPMG openbaren, is dat de voormalige burgemeester instrumenteel is geweest in het in stand houden, zoal niet scheppen, van een cultuur waarin men zich niet hoefde te verantwoorden, waarin het verschil tussen mijn en dijn werd verdoezeld.

Dit was natuurlijk onaanvaardbaar, zoals alle fracties in de Gemeenteraad, met name ook die van de PvdA, in alle toonaarden hebben betoogd. Het gaat hier om de maatschappelijk normale verdeling van de bewijslast, die Peper in zijn tuchtklacht stelselmatig veronachtzaamt.

Daarbij geeft hij bij voortduring blijk van een geperverteerd normbesef in geldzaken. Dit is niet te rijmen met de in 1992 door mevrouw Dales gepropageerde beginselen van integriteit in het openbaar bestuur.

In de huidige publiciteit zijn de COR en KPMG ten onrechte in de beklaagdenbank beland. De fout die zij naar mijn smaak hebben gemaakt, is dat zij te lief zijn geweest voor Peper.

Het meest opvallend was de wijziging van de kwalificatie `niet rechtmatig' in `functionaliteit niet vastgesteld'. In de eerste plaats dit: `niet rechtmatig' stond in een concept. Dat wordt in het algemeen gemaakt in het besef dat de tekst nog niet volkomen behoeft te zijn. Dus had KPMG geen belang bij het lekken van het concept.

Wat is rechtmatigheid in deze context? Ik beperk mij hierbij tot uitgaven met inbegrip van het gebruik van faciliteiten zonder betaling.

Een uitgave is rechtmatig indien deze functioneel is, dat wil zeggen gedaan wordt in functie en past in het ontwikkelde beleid, en in overeenstemming is met de desbetreffende regelgeving.

Welnu, als de functionaliteit niet vastgesteld kan worden, is er dus grond voor de uitspraak: niet rechtmatig. Die werd in het concept echter gemotiveerd met inbreuken op de wel bestaande regelgeving.

Deze bepaalde dat bij uitgaven via creditcards ook de desbetreffende nota's gevoegd moesten worden, dat bepaalde reizen in `agendaposten' moesten worden gemeld, en dergelijke.

Als aan deze eisen niet voldaan was, waren de uitgaven dus onrechtmatig. Zelfs nadien aangeleverde bewijzen en bescheiden nemen niet weg dat de uitgave indertijd door de gemeente onrechtmatig is gedaan.

In de rapporten van de COR en van KPMG staat ook dat voorschotten regelmatig niet werden afgerekend (ook: de dollars in het kluisje); dan werden zij te langen leste maar afgeboekt als kosten. Dat is onrechtmatig. De verzachting van het oordeel was dus onnodig.

Een ander punt waar KPMG lief is geweest, is dat men een aantal malen de functionaliteit heeft menen te `kunnen duiden'. Dat is heel wat minder dan `vaststellen'.

Het is eerder een welwillend vermoeden dan een constatering. In de bestaande, door de betrokkenen zelf geschapen cultuur was dit het beste dat zij mochten verwachten.

In een situatie als deze is lief zijn gevaarlijk.

Prof. J.H. Blokdijk is emeritus hoogleraar accountantscontrole aan de Vrije Universiteit Amsterdam.