`Ik heb geen talent voor hard zijn'

Hans Simons was wethouder in Rotterdam, staatssecretaris van Volksgezondheid en daarna weer wethouder in Rotterdam. Vorig jaar kon hij negen maanden niet werken. Nu neemt hij afscheid van de politiek. Hij wordt voorzitter van het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn. Hans Simons werd bekend door zijn plan

om de gezondheids- zorg te veranderen. Dat plan mislukte. `Maar ik had het goed gezien.'

Mijn geschiedenis begint in Suriname, waar mijn vader geboren is, in 1916, in een joodse familie met een Pools-Portugese achtergrond. Op zijn vijftiende ging hij met zijn moeder en zijn broers naar Nederland voor zijn schoolopleiding. Zijn vader heeft hij daarna misschien nog drie of vier keer gezien. Die bleef in Suriname en is in de oorlog gestorven. Voor mijn vader was hij een ideaalbeeld, hij sprak altijd uiterst bewogen over hem. Een paar jaar geleden ontmoette ik een vrouw die mijn grootvader nog gekend had, een Surinaamse. Ze zei: als ik jou zie, zie ik David Simons. Ze vertelde fantastische verhalen over hem. Eigenzinnig. Openhartig. Onconventioneel. Een man die voor zijn mening uitkwam. Later zag ik een filmpje, uit 1941, van een feestje op de houtzagerij waar hij de eigenaar van was. Verrek, dacht ik, zoals hij bezig is en met zijn handen beweegt, dat ben ik. Hij was een man die in het sociale leven in Suriname een grote rol speelde. Hij liet kinderen van wie de ouders het niet konden betalen studeren. Hij zat in het parlement.

,,Door de verhuizing naar Nederland was mijn vader vroeg volwassen. Hij studeerde medicijnen in Utrecht en werd huisarts in Witmarsum in Friesland, waar ik geboren ben. Mijn moeder was tot ze trouwde verpleegster in het AZU. Ze was de oudste dochter in een gezin met een zieke moeder. Ze was jong volwassen, net als mijn vader. Ze hebben nog steeds een voortreffelijk huwelijk. In 1948 verhuisden we naar Renesse in Zeeland. Mijn vader was de man van de kleine schaal, van de dorpsgemeenschap. Bij ons stond de achterdeur altijd open. In de grote stad was hij zeker ongelukkig geworden.

,,Ik ben de tweede van zes jongens. Mijn oudste broer is een jaar geleden overleden, aan slokdarmkanker. Dat is voor de periode dat ik niet kon werken van groot belang geweest. Ik ben altijd verbaasd als ik van vrienden hoor dat ze hun familie zo weinig zien. Tussen mij en mijn broers is een intense betrokkenheid. Op zondagavond doe ik vaak een belronde. Gisteravond heb ik ze allemaal verteld dat ik voor de eerste keer opa word. Mijn vrouw, mijn tweede vrouw, heeft al drie kleinkinderen. Maar dit is anders.

,,Ik heb Renesse zien veranderen van een arm dorp van fruitboeren in een rijk dorp dat leefde van het toerisme. Als jongen plukte ik 's zomers bessen. In mijn studietijd had ik een trampolinebedrijf op het strand. Mijn vader had bedacht dat mijn oudste broer misschien iets in het toerisme kon doen, een wasserette beginnen of zo. Mijn oudste broer was de enige thuis die niet kon leren, hij had BLO gedaan. En mijn vader dacht dat dit wel wat voor hem was. Maar voor een wasserette bleek geen markt te zijn. Aan de mensen die ons adviseerden vroeg ik waar we dan wel geld mee konden verdienen. En zo kwamen we bij het trampolinebedrijf. Mijn broer is later in een bakkerijfabriek gaan werken, en daarna in de keuken van een verpleeghuis.

,,Lees Geert Mak en je weet hoe het Renesse uit mijn jeugd was. Geborgen. Geïsoleerd. We kwamen twee keer per jaar in Rotterdam om nieuwe kleren te kopen. Mensen zeggen weleens dat je daar kwetsbaar van wordt. En dat is ook wel zo. Geborgenheid heeft veel voordelen, maar bij tegenslag ben je minder weerbaar. Ik weet nog hoe ik van mijn stuk was toen ik net studeerde en iemand afwerend reageerde toen ik om een shaggie vroeg. Zo'n gebrek aan hartelijkheid! Daar kan ik nog steeds slecht tegen. Ik ben een man die het beste functioneert in kleine groepen waarin vriendschap en vertrouwen heersen. Ik ben snel uit het veld geslagen als iemand onaardig tegen me is.

,,Voordat ik politieke en sociale wetenschappen ging studeren, heb ik eerst nog even medicijnen gedaan. Zo kwam ik in Amsterdam terecht, ik was ingeloot aan de VU. Medicijnen trok me niet aan, maar mijn vader wilde het graag en ik hoefde dan niet in dienst. Rond kerst zag ik in dat ik volstrekt verkeerd zat. Ik moest in de restanten van een varken snijden, ik vond het helemaal niks. Ik heb later pas tegen mijn ouders gezegd dat ik van studie was veranderd. Ik heb de rest van het jaar zo hard gewerkt dat ik aan het eind toch mijn propedeuse had. Ik ben altijd zeer geïnteresseerd geweest in biografieën en autobiografieën, net als mijn vader. Het persoonlijke leven van mensen, tegen de achtergrond van de samenleving waar ze deel van uitmaken, dat houdt me bezig. Toen ik eindexamen HBS deed, ging mijn vader naar de ouders van een paar jongens die bij mij in de klas zaten. Dan zei hij: die jongen moet naar de TH in Delft. Een enkele keer lukte het. Maar meestal niet. Later ben ik vaak op reis geweest als bestuurder van organisaties op het terrein van ontwikkelingssamenwerking. Al die mensen die je dan niet verder ziet komen dan iedere dag vechten voor hun prakkie. Er gaat zoveel talent verloren in de wereld. Ik ben niet diepgelovig, maar ik heb wel het gevoel dat er ergens een tegemoetkoming moet zijn, een rechtvaardiging.

,,De dood van mijn oudste broer was een enorme confrontatie voor me. Voor de eerste keer werd er inbreuk gepleegd in ons gezin. Een broer verliezen terwijl je ouders nog leven, dat is niet te verdragen. En dan ook nog net de jongen die het meest kwetsbaar was, die het hardst had moeten vechten. Ik heb hem zelden zo sterk meegemaakt als de keer dat ik met hem bij de internist zat. Hij was geopereerd, zijn kansen leken zich goed af te tekenen, totdat hij overal metastasen kreeg. De internist stelde voor dat hij bestraald zou worden. Mijn broer zei: dat is maar uitstel. Hij gaf het over. De drie weken die het daarna nog duurde was hij volkomen rustig. Ik vroeg me af of ik dat zou kunnen. Of zou er toch ergens een kracht zijn die mensen in staat stelt om dit te kunnen?

Ik heb een zondagsleven gehad, altijd leuk werk. Mijn enige echte teleurstelling, voor de dood van mijn broer, was dat mijn eerste huwelijk mislukte. Ik had een mooi groot gezin willen hebben, een vlekkeloos huwelijk. Ik ben jong getrouwd, met een meisje van de middelbare school. Ze zat drie jaar op de HBS, ze ging naar het buitenland als au pair en toen ze terugkwam zijn we gaan samenwonen, op Uilenstede. Ze was verpleegster, hoewel ze haar opleiding niet heeft afgemaakt. Ze verlangde intens naar kinderen. We hebben samen twee zoons gekregen. Ik heb het initiatief tot de scheiding genomen, toen ik dertig was. Het was niet om een ander. Het waren twee mechanismen die opspeelden. Ten eerste kan ik er niet tegen als iemand zich niet op zijn gemak voelt bij mij. Ten tweede wil ik dat iemand echt voor mij kiest, meer dan als een vriendin. Tussen haar en mij was het vriendschap. We waren jarenlang samen naar school gefietst. We hadden respect voor elkaar, we waren loyaal. Maar ik voelde geen intense betrokkenheid. Ik heb dat wel nodig. Ik vind het fijn als iemand echt van me houdt.

,,Na mijn studie werd ik projectleider in het vormingswerk. Dat was in 1972. In die tijd waren er twee lokale vormingscentra, in Amsterdam en in Rotterdam. Het verschil met de andere centra was dat mensen niet een hele week intern kwamen, maar vijf avonden. Ik was de opvolger van een rooms-katholieke pastor. Het instituut was hier in Tussendijken, ik organiseerde cursussen voedingsleer en gezondheid voor ouderen, trainingen voor ondernemingsraden. Jongens kwamen na het werk naar mij toe en die bracht ik gesprekstechniek bij. Ik leerde ze hoe ze invloed konden uitoefenen in het bedrijf waar ze zaten. Ik was er dag en nacht mee bezig, ik vond het fantastisch. Maar er kwam al snel een eind aan omdat de PPR, waar ik toen lid van was, mij vroeg me kandidaat te stellen voor de raad. De cynische houding tegenover het idealisme uit die tijd deel ik niet. Ik kom nog mensen uit die tijd tegen die zeggen: wat ik nu ben, heb ik te danken aan wat ik toen heb geleerd. Mijn oudste zoon is psycholoog, hij werkt in Rotterdam met probleemgezinnen. Heel veel problemen hebben in essentie te maken met gebrek aan zelfwaardering. Ik denk weleens, onze hulpverlening is zo gespecialiseerd en geprofessionaliseerd, maar zou het niet beter werken als mensen met problemen eens een tijdlang iemand hadden aan wie ze zich konden vasthouden? Ik was in Washington op een school, jaren geleden. Er was daar een rector, een zwarte vrouw, die zei: weet je wat mijn opdracht is? Dat ik alle kinderen ken. Dat ik het weet als hun opa net dood is. Dat ik het zie als ze een nieuwe broek aan hebben. Dat is het hoofdprobleem in de grote steden: er is te weinig betrokkenheid. Als ik op het strand zit en zie hoe ouders met hun kinderen omgaan, dan moet ik me inhouden om niet te zeggen: wees toch eens wat aardiger!

,,Ik zei het al, diepgelovig ben ik niet. Maar at the end of the day komt er een moment dat je je moet afvragen: wat heb ik zelf gedaan? Wat heb ik bijgedragen? Ik ben iemand met een extreem verantwoordelijkheidsgevoel. Dat ik vorig jaar zo uitgewoond was, heeft daar veel mee te maken. Ik kan geen nee zeggen. Dat kun je negatief uitleggen: het is een behoefte om me te onderscheiden. Maar het is ook: zo hoort het. Niet wegduiken. In deze fase van mijn leven moet ik leren om niet altijd te denken: dat kan er ook nog wel bij. Mijn vrouw is tien jaar ouder dan ik, zij is nu gestopt met werken. Zij kan zich nu helemaal wijden aan ontspanning, aan de kinderen, aan reizen. Vorig jaar dacht ik: zal ik met haar gaan meedoen? Of moet ik mijn eigen perspectief kiezen? Ik ben drieënvijftig. Het is te jong om op te houden. Ik zou het heerlijk vinden. Maar ik kan het nog niet.

In 1977 ben ik uit de PPR gestapt. Het bleef me een te marginale club, ik ben voor een brede progressieve volkspartij. Dus heb ik me aangesloten bij de PvdA. Mijn idee was niet om carrière te maken in de politiek. Maar in 1978 zat de PvdA met de kandidaatstelling voor de gemeenteraad. Ze vroegen of ik wilde meedoen. Ik werd fractievoorzitter. Ik zat daar in een generatie PvdA'ers, jonge dertigers, die enorm gedreven werd door de publieke zaak, door het verlangen om de stad te vernieuwen. In 1982, toen er een nieuw college werd gevormd, kon ik de onderwijsportefeuille krijgen en de portefeuille minderheden en achterstandsbeleid. Het was de tijd van de eerste discussies met de leiders van moskeeën op het stadhuis. Ik heb ervan genoten. Het waren zeven prachtige jaren. In de tweede helft van de jaren tachtig begon de stad weer in zichzelf te geloven. Het was een periode van idealisme waar mensen nu niet meer in geloven. Ik laat me daar niet door beïnvloeden. Overal in de wereld zie je dat daar waar het recht van de sterkste zegeviert, er te weinig overheid is. De publieke zaak nivelleert, de politiek nivelleert. Er is wel betrokkenheid, maar die vertaalt zich niet meer in politieke betrokkenheid. Mijn eigen zoons hoor ik ook niet zeggen: goh, Hans, het lidmaatschap van de gemeenteraad lijkt ons wel wat. Dat komt doordat de politiek te veel het verlengstuk is geworden van de bureaucratie. Er is te weinig ideeënvorming. Wat dat betreft ben ik een Uyliaan. Besturen is: het haalbare doen. Maar het is vooral: verder kijken dan de dag van morgen.

,,In mij strijden de man van het compromis en de man van de visie om voorrang. In alle bescheidenheid denk ik dat de man van de visie het gewonnen heeft. Ik heb vaker gekozen voor het ideaal op de lange termijn dan voor het compromis op de korte termijn. Het voorbeeld is natuurlijk mijn plan voor de stelselwijziging van de gezondheidszorg. Toen ik in 1989 staatssecretaris werd, waren er twee dingen die moesten veranderen: de lappendeken van verzekeringen en de top-downstructuur. In een discussie met Rinnooy Kan zei ik dat we een Sovjet-systeem hadden. Alles werd van bovenaf geregeld. Ik wilde grote veranderingen, niet te gestaag, met een oriëntatie op het einddoel: meer verantwoordelijkheid voor de verzekeraars, de artsen, de ziekenhuizen en de patiëntenorganisaties, minder overheidsbemoeienis.

,,Eind 1992 begon ik te merken dat er in de Kamer en in het kabinet te weinig gevoel van urgentie was. Op deelonderwerpen kon ik succesjes halen. Maar voor het grote plan kreeg ik de politiek niet achter me. En als de politiek iets niet heel zeker weet, dan wordt het niks. Dan is er geen weerstand tegen de kritiek die je bij iedere verandering kunt verwachten. Na de verkiezingen van 1994 zei Kok: met de stelselwijziging hebben we het wel even gehad. Ik begreep dat. Ik denk weleens: als de wachtlijsten toen hadden bestaan, dan had ik mijn plannen er wél doorgekregen. Nu is de gezondheidszorg een van de belangrijkste onderwerpen voor de komende verkiezingen. Dat is de enige bevrediging die ik er nu van heb. Ik vond dat er een principiële verandering nodig was. Ik heb dat goed gezien.

,,Het grote probleem in de gezondheidszorg is nog steeds dat de overheid zich te veel met de bedrijfsvoering bemoeit. Dus zeggen de ziekenhuizen: wachtlijsten? Moet u bij de Kamer zijn, of bij Els Borst. Dat is de verwording. De oplossing is niet: even wat meer dokters opleiden. Het vraagt om een integraal programma, om een mentaliteitsomslag: van aanbod naar vraag, van centraal naar decentraal, van uniform naar pluriform. En daar is een plan voor nodig dat niet alleen door de minister van VWS wordt uitgedragen, maar ook door de andere ministers en door de minister-president.

,,Diezelfde verandering is ook nodig voor het onderwijs, de sociale zekerheid, de Nederlandse Spoorwegen, Schiphol en de Maasvlakte. De rector van een school is te vergelijken met Cerfontaine en met de directeur van het Rotterdamse Havenbedrijf. Ze hebben allemaal te maken met een overheid die zich voortdurend met hun werk bezighoudt. De afgelopen dertig jaar heeft de overheid veel te veel verantwoordelijkheid op zich genomen, veel te weinig overgelaten aan de maatschappelijke organisaties. Ik moet onder ogen zien dat ik zelf een van de vormgevers ben van die overheid. Als je terugkijkt met de kennis van vandaag, dan zijn veel wetten voortgekomen uit bemoeizucht. Maar het was bemoeizucht die gelegitimeerd werd door verantwoordelijkheidsgevoel voor groepen mensen die ondersteuning nodig hadden. Het kwam voort uit een gevoel van goed willen doen. Elk risico, elke oneerlijkheid willen uitsluiten. Het was de verabsolutering van de rechtsgelijkheid. En misschien was het ook wel een wantrouwen tegenover maatschappelijke organisaties. De neiging van de overheid om daar mee te rivaliseren is in Nederland altijd heel groot geweest. Daarnaast was er een noodzaak tot bemoeienis door de explosie van de welvaart en de toename van de publieke middelen, waardoor er zo veel mogelijk werd dat er wel aanbodregulering móést komen om de boel niet uit de pan te laten rijzen. En aanbodregulering betekent: bureaucratie, centralisering, uniformiteit. Met de kennis van vandaag zeg ik niet: het was verkeerd. Ik zeg: leer ervan en zorg dat het verandert.

Het was niet uit ambitie dat ik in 1994 ben teruggekeerd naar Rotterdam. Mijn hart lag hier en ik had vier tropenjaren achter de rug. Bovendien vertrok er een hele generatie wethouders, er werd een enorm beroep op mij gedaan. Ik zei: ik ben niet de verlosser, ik wil wel komen, maar met versterking. Als partij moet je naar je zwakke kanten durven kijken. We hadden hier iemand nodig met verstand van financiën en ruimtelijke ordening. Daarom heb ik toen voorgesteld dat Hans Kombrink meekwam. Die was toen directeur-generaal op het ministerie van Defensie, nadat hij gepasseerd was voor een ministerspost. Ik gunde het Kombrink dat hij zijn bestuurlijke capaciteiten hier kon inzetten. En ik gunde Rotterdam de bestuurlijke capaciteiten van Hans Kombrink. In alle objectiviteit is het een probleem geworden om goede mensen voor de stad te krijgen. Het is tegenwoordig toeval als iemand zich sterk wil maken voor de publieke zaak. Het is de taak van de politieke partijen om mensen daarvoor weer te motiveren. De tegenstelling tussen ledenpartij of kiesmachine, die nu binnen de PvdA gemaakt wordt, vind ik gefingeerd. Het gaat erom dat er een mechanisme is waardoor mensen die naar voren worden geschoven goede representanten zijn van maatschappelijke groepen, en dat die mensen zich vervolgens ook blijven verstaan met die maatschappelijke groepen. Ik vind het onzin als ik mijn beleid voor de Maasvlakte moet verdedigen op een vergadering met tien PvdA-leden in een achterafzaaltje. Ik moet mijn beleid verdedigen in De Balie, in het publieke debat. Dan maak je mensen betrokken!

,,Ik begrijp dat ik er niet onderuit kom om iets over Peper te zeggen. In december 1999 heb ik in een interview met Vrij Nederland gezegd dat ik ervan uitging dat er van fraude geen sprake was. Ik heb gelijk gekregen. Ik hoop dat hij zijn draai weer vindt. Daar zou ik het bij willen laten. Ik heb hem jarenlang meegemaakt. Ik had een moeilijke relatie met hem. Het had te maken met omgangsvormen. Een burgemeester die altijd fair met zijn mensen was omgegaan had dit niet over zichzelf afgeroepen. Zelf heb ik me tot de laatste gulden die ik had uitgegeven kunnen verantwoorden. De hele raad, minus de Stadspartij, heeft daarna het vertrouwen in mij uitgesproken. Voor de administratieve slordigheid heb ik zelf de volle verantwoordelijkheid genomen. Je hoopt alleen, als je vier jaar lang zo slordig bent, dat iemand in de bureaucratie je daar een keer op gewezen had.

,,Vorig jaar januari werd het me opeens zwart voor de ogen. Ik kon fysiek niet meer verder, verlamd door een existentiële angst: heb ik het wel goed gedaan? Ik ben negen maanden ziek gebleven. Ik heb nog nooit zo hard gewerkt als in die tijd. Ik heb gepoogd te leren beter voor mijn eigen belang op te komen, al klinkt het egocentrisch. Bij alles wat ik nu doe denk ik beter na. Is dit wat ik echt wil? Of heb ik er, als ik terugkijk, spijt van.

,,Bij mijn afscheid van het ministerie van WVC zei een van mijn medewerkers dat ik harder moest zijn. Maar ik moet onder ogen zien dat ik dat talent niet heb. Mensen het gevoel geven dat ze niets kunnen – ik kan dat niet. Ik neem liever stilzwijgend iemands taken over dan dat ik zeg dat hij ze niet aankan. Zoals de overheid jarenlang is omgegaan met de zwakkeren in de samenleving, ja, zeker.''