Gesloten instituut

Er is niets tegen daderprofielanalyse en tegen onderzoek naar het verband tussen criminaliteit en defecten in het brein. De forensische psychiatrie heeft alleen zin als zij wetenschappelijk gefundeerd is, aldus prof.dr. Corine de Ruiter.

Uit onderzoek van het WODC, het onderzoeksbureau van het ministerie van Justitie, is gebleken dat ongeveer één op de vijf ex-tbs'ers binnen een periode van acht jaar opnieuw een ernstig misdrijf pleegt. Dat vier op de vijf ex-tbs'ers dit niet doen, lijkt bovendien meer geluk dan wijsheid, want over de effectiviteit van de behandeling is weinig bekend. In 1928, bij de invoering van de Psychopatenwet, werd het rechters mogelijk gemaakt delinquenten in geval van gehele of gedeeltelijke ontoerekeningsvatbaarheid `ter beschikking van de regering' te stellen om te worden behandeld. Daarmee werd Nederland het enige land ter wereld waar die maatregel werd toegepast. In 1988 werd deze `tbr' vervangen door `terbeschikkingstelling' (tbs), een aan striktere voorwaarden verbonden regeling. Maar naar de effectiviteit van de maatregel is van meet af aan nauwelijks onderzoek gedaan.

`Opmerkelijk', noemt dr. Corine de Ruiter dit gebrek aan onderzoek. De Ruiter is als forensisch psycholoog verbonden aan het forensisch psychiatrisch instituut, de dr. Henri van der Hoevenkliniek. Eind vorig jaar werd ze aan de Universiteit van Amsterdam benoemd tot bijzonder hoogleraar Forensische Psychologie. Bij die gelegenheid sprak ze een rede uit: `Voor verbetering vatbaar', waarin ze haar verbazing uitsprak over de onwetenschappelijke houding van haar forensische collegae.

De Ruiter: ``Voordat ik vijf jaar geleden bij de Van der Hoevenkliniek kwam, heb ik als wetenschappelijk onderzoeker onder andere gekeken naar de effectiviteit van verschillende psychotherapieën. Dat je zulke zaken onderzoekt, vond ik normaal. Dat behoort tot de academische traditie. Maar toen ik hier op de Van der Hoevenkliniek kwam, werd me al snel duidelijk dat zoiets in de forensische psychiatrie helemaal niet zo normaal is. Er wordt nauwelijks naar de effecten van behandelingen van tbs'ers gekeken. Zelfs niet naar onderdelen ervan. Dus ja, daar keek ik behóórlijk van op.''

Hoe verklaart u die onwetenschappelijke houding?

``Op de een of andere manier is er binnen de forensische psychiatrie geen wetenschappelijks traditie ontstaan. Het punt is: men bevindt zich op het grensvlak van gedragswetenschap en recht, en ook in het recht is het niet gebruikelijk om naar de effecten van strafoplegging te kijken. Zo wijst onderzoek uit dat straf geen recidive voorkomt, maar eerder averechts werkt. Maar daar laat het strafrecht zich weinig aan gelegen liggen, hoewel ik besef dat in het strafrecht ook andere factoren, zoals het vergeldingsaspect, een rol spelen. Er is voor forensische psychiatrie dus geen enkele stimulans uitgegaan van de rechterlijke macht, om eens wat meer naar de effecten van haar behandelingen te kijken. Daarbij moeten we niet vergeten dat er ook in de reguliere psychiatrie nog maar sinds een aantal jaren aan effectonderzoek wordt gedaan.''

Is de forensische psychiatrie niet te veel in zichzelf gekeerd?

``Ja, dat zal er ongetwijfeld mee te maken hebben. Het begrip 'gesloten inrichting' zegt al genoeg: zij vormt een eilandje in de maatschappij. Ook heerst er een zekere arrogantie: tbs wordt als iets unieks gezien, alsof het om een soort geprivilegieerde kennis gaat. En als een relatieve buitenstaander dan vragen gaat stellen over effectiviteit, wordt dat al gauw als ongepast ervaren. Dat naar binnen gekeerde van dit type instellingen uit zich overigens ook in een zekere onwil om met andere klinieken samen te werken, zo is mijn ervaring. Terwijl ik zou zeggen: bundel de kennis en de krachten. Het is toch al een relatief kleine sector; het gaat om zo'n twaalfhonderd tbs-plaatsen. Wil je dus onderzoek doen naar een specifieke categorie daders, bijvoorbeeld verkrachters, dan zul je wel móeten samenwerken. Hier in de Van der Hoevenkliniek zitten hooguit twaalf verkrachters, dat zijn er veel te weinig voor gedegen onderzoek.''

Nog maar een paar jaar geleden, in 1995, is er een proefschrift verschenen van de forensisch psychiater en ex-directeur van de Van Mesdagkliniek in Groningen H.J.C. van Marle. Dat was volledig op freudiaanse leest geschoeid. Dat is wetenschappelijk toch volkomen achterhaald?

``Dat mag je wel zeggen, ja. Begin jaren zeventig is door meta-analyses namelijk al volstrekt duidelijk geworden dat psychoanalyse en psychodynamische therapieën vrijwel geen effect hebben op psychisch gestoorde delinquenten. Eind jaren tachtig is dit nog eens bevestigd. Maar ja, het veld van de forensische psychiatrie is van meet af aan psychoanalytisch georiënteerd geweest. Dat er zo aan de psychoanalyse wordt vastgehouden, zal ook wel iets met ideologie te maken hebben, dat is altijd al een kenmerk van de psychoanalyse geweest. Ach, laat ik ook niet àl te streng zijn: op zichzelf is er niets op tegen om de stoornis in relatie tot het delict te begrijpen vanuit het psychoanalytische denkkader. Daar kun je af en toe best wat aan hebben. Want laten we reëel zijn: het ìs natuurlijk onbegrijpelijk dat iemand die nooit gewelddadig is geweest, plotseling tot een moord komt. Zo'n psychoanalytisch kader kàn dan helpen om te begrijpen hoe dat mogelijk is geweest. Maar proberen erachter te komen hoe het zit, is natuurlijk iets heel anders dan een psychoanalytische behàndeling. Enfin, heel langzaam begint er de laatste tijd iets te veranderen.''

In uw rede zegt u ook dat voor risicotaxatie geen richtlijnen bestaan en dat er niet zelden aan de rechtbank wordt gerapporteerd door onervaren en ongekwalificeerde rapporteurs.

``Er bestaan inderdaad geen kwaliteitsnormen, waaraan je moet voldoen om aan de rechtbank te mogen rapporteren. Wel zijn er inmiddels wat initiatieven ontstaan om een soort opleiding op te zetten. Wat mij betreft komt er een post-doctorale opleiding, zodat je je volledig kunt specialiseren tot forensisch psycholoog. Ik heb er ook wel vertrouwen in dat die opleiding er komt.''

Met betrekking tot die risicotaxatie pleit u onder andere voor het gebruik van de Rorschach Inktvlekken Methode. Wat kun je daar bij daders mee onthullen?

``Nou ja, onthullen. Het gaat er bij de Rorschach Methode om dat je iemand een betekenisloze stimulus aanbiedt, waaraan een betekenis moet worden gegeven. Daar komt waarneming en cognitie aan te pas, zoals dingen uit het geheugen halen, vergelijken, associëren, om uiteindelijk een bepaald respons te geven. Uit onderzoek is nu gebleken dat de manier waarop mensen betekenis geven aan een ambigue prikkel, samenhangt met de persoonlijkheid. Ik vergelijk het wel eens met de zwangere vrouw die overal zwangere vrouwen ziet. Dat is een waarneming die voor een deel wordt gestuurd door psychologische motieven. Er is dan ook voldoende empirische evidentie voor de betrouwbaarheid van de Rorschach Methode. Je kunt er vooral inzicht mee verkrijgen in de balans tussen de psychische draagkracht en draaglast. En dat heeft dan weer te maken met de emotieregulatie, met impulsiviteit, agressiviteit, stressbestendigheid. Dit zijn allemaal factoren die bij dit soort ernstige delicten een rol spelen. En waarin je dus via de Rorschach Methode redelijk inzicht kunt krijgen. Daar komt bij dat het voor de dader niet duidelijk is wat er bij hem wordt onderzocht. Want dat is de moeilijkheid bij gesprekken met daders: meestal willen ze geen tbs, dus zullen ze trachten de psycholoog of psychiater te misleiden. Bij de Rorschach Methode is dat veel moeilijker.''

U stelt dat vooral psychopathie oftewel de anti-sociale persoonlijkheidsstoornis een krachtige risicovoorspeller is.

``De diagnose psychopathie is niet hetzelfde als de diagnose anti-sociale persoonlijkheidsstoornis. Behalve dat de psychopaat een anti-sociale instelling heeft, is hij kil, manipulatief, zeer egocentrisch en narcistisch, en ook gedraagt hij zich vaak impulsief en agressief. Dit alles maakt dat als je een risicotaxatie van zo iemand moet maken, je meestal nogal hoog uitkomt. Vooral dat gebrekkig ontwikkelde schuldgevoel, gekoppeld aan die impulsiviteit, maakt hem tot een potentieel gevaarlijk persoon. Ik zeg daarmee niet dat deze mensen allemaal levenslang moeten worden opgesloten, maar het is met hen wel oppassen geblazen, te meer daar psychopathie nog niet te genezen is.''

U pleit, waar het de opsporing betreft, ook voor wetenschappelijk verantwoordde daderprofielanalyses. Maar de Maastrichtse rechtspsycholoog prof. Crombag noemt die analyses een vorm van waarzeggerij.

``Het is waar dat er door boeken en tv-series een zekere mystificatie van de daderprofielanalyse heeft plaatsgehad; het gaat dan vaak om profilers met een soort zevende zintuig. Wat ik echter bepleit is juist een démystificatie van de daderprofielanalyse, door die empirisch-wetenschappelijk te funderen. Als je dat lukt, is de daderprofielanalyse wel degelijk een instrument, waarmee een dader efficiënter kan worden opgespoord. Tijdens een experiment in Amerika is in ieder geval al gebleken dat de zogenoemde profilers bij het maken van profielen beter scoren dan niet gespecialiseerde psychologen, maar dat die laatsten het weer significant beter doen dan rechercheurs. De helderzienden die ook aan het experiment meededen, deden het `t slechtst, hun profielen reikten niet verder dan een handvol stereotypen over moordenaars. Waar het nu vooral om gaat, is dat er meer onderzoek wordt gedaan naar de relatie tussen delictkenmerken en daderkenmerken.

``Zo is er in Amerika onderzoek gedaan bij 254 verkrachters, waaruit bleek dat ze zijn in te delen in antisociaal, seksualiserend en wraakzuchtig. De wraakzuchtige verkrachter bijvoorbeeld is een woedeverkrachter. Meestal heeft hij iets tegen vrouwen en als hij een vriendin heeft, dan zal hij die hoogstwaarschijnlijk met enige regelmaat mishandelen. Als uit het verhoor van het slachtoffer nu blijkt dat de verkrachting met razernij gepaard is gegaan, kun je in de buurt waar de verkrachting heeft plaatsgevonden in ieder geval al iets gerichter gaan zoeken. Ik noem maar iets: je kunt bijvoorbeeld aan huisartsen vragen of ze patiënten hebben met zeer ernstige relatieproblemen die met mishandeling gepaard gaan. Een daderprofielanalyse kàn aan de opsporing dus wel degelijk een bepaalde richting geven. Daarom ben ik er ook zo sterk voor dat psychologen de mogelijkheid krijgen zich te specialiseren tot forensisch psycholoog. Van daaruit kan men zich dan ontwikkelen tot daderprofielanalist.''

Het staat voor u buiten kijf dat bij veel tbs'ers een van de oorzaken van hun delinquent gedrag een defect in het brein is. U refereert in uw rede in dit kader aan de affaire-Buikhuisen, de onderzoeker die in de jaren zeventig onderzoek deed naar de biologie van crimineel gedrag. U stelt dat zijn vertrek (onder andere als gevolg van de hetze van Piet Grijs) een groot verlies voor de Nederlandse forensische psychiatrie is geweest.

``Ik bedoel hier vooral mee dat het onderzoek naar de biologie van crimineel gedrag onnodige vertraging heeft opgelopen. Gelukkig mag het inmiddels weer en uit het onderzoek dat onlangs is gedaan, blijkt ondubbelzinnig dat de hypothese van Buikhuisen dat er biologische factoren meespelen bij criminineel gedrag, juist was. Zo heeft brain-imaging aangetoond dat het brein van een psychopaat anders op emotionele prikkels reageert dan het brein van een normaal persoon. Bij een psychopaat zie je bijvoorbeeld dat het limbische systeem bij een emotionele prikkel maar beperkt reageert. Ook blijken psychopaten niet goed in staat een dominante gedragsrespons bij te stellen op basis van nieuw binnengekomen informatie. Dus is er geen twijfel mogelijk: bepaalde functionele en structurele defecten in het brein spelen een rol bij het ontstaan van crimineel en gewelddadig gedrag. Dat zie je ook bij ADHD-kinderen, er valt domweg een statistisch verband te constateren tussen ADHD en crimineel gedrag op latere leeftijd. Trouwens, ook het feit dat serotonine heropnameremmers, zoals Prozac, een gunstig effect hebben op impulsiviteit en agressie, laat zien dat bepaalde processen in het brein een rol spelen bij wat we crimineel gedrag noemen.''

Hoe hebben uw collegae op uw rede gereageerd?

``Er is hier en daar behoorlijk fel gereageerd. Ik zou alleen maar kritiek hebben op de manier waarop de forensische psychiatrie nu functioneert. Mijn kritiek op de huidige risicotaxatie heeft trouwens ook Kamervragen uitgelokt en misschien is de forensische psychiatrie daar ook wel een beetje van geschrokken. Hoe dan ook: door mijn rede is er in ieder geval iets in beweging gekomen, al is het maar dat de kwestie nu bespreekbaar is geworden. En ik hoop dat dit ertoe zal leiden dat we nu een traject naar de toekomst kunnen gaan uitzetten, waarin veel meer ruimte is voor wetenschappelijk onderzoek. Want een evidence-based forensische psychiatrie, dáár moeten we uiteindelijk naar toe.''