Eiber blijkt blijver

De ooievaar is terug van weggeweest. Begin jaren zestig was de stand in Nederland op een dieptepunt met nog maar enkele tientallen broedparen. Vorige zomer broedden er weer 380 vrijvliegende paartjes. Enkele tientallen paartjes leven helemaal zelfstandig in het wild, de rest hangt rond bij een van de twaalf ooievaarsstations, waar de vogels 's winters worden bijgevoerd. Daarmee is de vooroorlogse populatie weer op peil, zo meldt Vogelbescherming Nederland.

Om dat te vieren is het jongste nummer van het kwartaalblad Vogelnieuws helemaal aan de eibers gewijd. In deze special wordt verslag uitgebracht van 30 jaar veldwerk. Trekroutes zijn met behulp van geringde en gezenderde dieren in kaart gebracht en geschikte habitats geïnventariseerd.

Het werk van de ooievaarsstations heeft er ongetwijfeld toe bijgedragen dat de ooievaar als broedvogel voor Nederland behouden bleef. Maar het is niet de enige verklaring, want ook in Spanje en Frankrijk worden steeds meer ooievaars geteld. Volgens Vogelnieuws hangt die aanwas mogelijk samen met de toenemende regenval in de West-Afrikaanse overwinteringsgebieden, na jarenlange droogten. Overigens wisselde de ooievaarstand altijd al sterk van jaar tot jaar. Sprinkhanenplagen in Afrika betekenden vette jaren voor de ooievaar. In Nederland draagt de toenemende vermesting van het milieu bij aan een verbetering van het biotoop: Meer mest betekent meer regenwormen voor de ooievaar. Anders dan vaak gedacht eet hij niet alleen kikkers. Het is een uitgesproken voedselopportunist, met regenwormen, muizen, mollen, grote insecten en allerlei andere diertjes op het menu. Het voedsel wordt gezocht in een straal van zo'n 3 kilometer rondom het nest.

Geschikte nestgelegenheid is vaak een beperkende factor. Onder de vrijvliegende ooievaars heerst een flinke woningnood. Dat ontdekten medewerkers van de werkschuur van Staatsbosbeheer in Wapenveld. In verloren winteruurtjes vlechten zij vernuftige kunstnesten van wilgentenen op oude wagenwielen. Elk nest dat op een paal in de uiterwaarden langs de IJssel wordt geplaatst, wordt meteen enthousiast in gebruik genomen. Ook kunstnesten in de uiterwaarden van het natuurontwikkelingsproject Fort Sint Andries, daar waar Maas en Waal elkaar ontmoeten, werden prompt bewoond.

Het broedsucces hangt vooral af van de leefomgeving. Wordt het nest omringd door gewone, intensief beheerde boerenweilanden met een laag grondwaterpeil en weinig bodemreliëf, dan valt daar weinig te halen. De vogels profiteren duidelijk van de natuurontwikkeling langs de grote rivieren. De afgelopen vijf jaar zijn de boeren massaal uit de uiterwaarden verdwenen. Vooral langs de Waal en de IJssel zijn grote delen van de uiterwaarden overgedragen aan Staatsbosbeheer. Deze weilanden verruigen doordat ze extensief, met weinig vee, worden begraasd. Daardoor komen er meer veldmuizen, grote insecten en andere prooidieren. Er worden plasjes, poelen en geulen gegraven waarin zich kikkers vestigen. Zo ontstaat een paradijs voor ooievaars.

Zo'n 500 dieren, de stampopulatie van de fokstations, blijven zomer en winter in Nederland. Hun jongen volgen wèl hun aangeboren trekinstinct, met alle risico's van dien. Elk najaar vertrekken zo'n 400 jonge ooievaars uit Nederland, waarvan maar een klein deel terugkeert. De anderen worden geëlektrocuteerd langs Franse hoogspanningsleidingen, stikken in plastic zakken op open Spaanse vuilnisbelten, verdrinken in open watertorens waarop ze uitrusten tijdens de trek of belanden in een Afrikaanse kookpot. Vroeger werd driekwart van de ooievaars op de trek geschoten, tegenwoordig nog maar drie procent. Onder de jongen is de sterfte het hoogst, 60 tot 80 procent. Daarna hebben de overblijvers een hoge overlevingskans. Bij de fokstations scharrelen hoogbejaarde, maar nog zeer krasse ooievaars van twintig jaar en ouder rond.

Van weinig andere vogelsoorten in Nederland zijn de individuele lotgevallen zo goed gedocumenteerd als van de ooievaar. Een vrijwilliger uit Asperen heeft zelfs alle bekende nesten – inmiddels meer dan 1000 – in een database ondergebracht. Niet alleen zijn het type nest, de geografische ligging, de staat van onderhoud en de eigenaar beschreven, maar ook de ringnummers van de bewoners en hun hele familiegeschiedenis, jaar in jaar uit, van de eileg tot het uitvliegen van de volgroeide jongen.

Dat alles levert een schat van gegevens op, die Vogelbescherming Nederland nu gaat gebruiken om de ooievaarsbiotopen te verbeteren. Zo blijkt er in het voorjaar een kritieke periode te zijn, waarin de jongen te groot zijn om nog warm onder moeders vleugels te vertoeven, maar te klein om zichzelf warm te houden. Vorig jaar mei stierven talloze ooievaarsjongen van kou, uitputting en honger na twee koude, stormachtige dagen met slagregens. Sommige experts menen dat dit te maken heeft met het feit dat de ooievaarsnesten minder waterdoorlatend zijn dan vroeger. Bij gebrek aan voldoende sprokkelhout verwerken de ooievaars grasplaggen en kunststoffen in hun nesten. Bij zware regenval blijft water in de nestkom staan, waarin de jongen verdrinken. Als de terreinbeheerder rond het nest voldoende sprokkelhout laat liggen, kunnen de dieren een fatsoenlijk takkennest vlechten.

Het wachten is nu op de terugkeer van de zeldzame zwarte ooievaar, een karakteristieke bewoner van rivierbossen. Al enkele jaren wordt hij in het najaar gezien op doortrek langs de grote rivieren. Liefhebbers kijken reikhalzend uit naar het eerste broedgeval.

Bron: Vogelnieuws, maart 2001. 14e jaargang nr 1. Kwartaalblad van Vogelbescherming Nederland, Postbus 925, 3700 AX Zeist, tel. 030-6937700.