DAF-beleggers blijven bij Hoge Raad bungelen

De Hoge Raad vernietigde gisteren een arrest dat beleggers in obligaties DAF hoop gaf op hun deel van een miljoenenboedel. Is de zaak nu verloren?

,,Het is niet verloren. Er is alleen tijd verloren.''

Belegger K. Thunnissen, gangmaker achter een slepende rechtszaak tegen de banken van het in 1993 failliet verklaarde DAF, had zich het arrest van de Hoge Raad gisteren over een claim van inmiddels 270 miljoen gulden op de DAF-boedel anders voorgesteld.

De Hoge Raad week af van de conclusies die zijn eigen adviseur, de advocaat-generaal, vorig jaar had getrokken. Die onderschreef een eerder arrest van het Amsterdamse gerechtshof dat de obligatiebeleggers gelijkelijk moesten delen in de opbrengst van de DAF-bezittingen die de banken in februari 1992 hadden gekregen om de terugbetaling van hun kredieten zeker te stellen.

De banken werden geleid door ABN Amro, huisbankier van DAF, die in de slotfase van een (uiteindelijk) mislukte reddingsactie, R. Groenink, inmiddels bestuursvoorzitter van de bank, op het dossier zette.

De procedure is zo complex geworden, met zoveel partijen, van ABN Amro tot en met de curatoren van DAF, dat de Hoge Raad gisteren zeven arresten moest wijzen.

De obligatiebeleggers vinden dat zij ook recht hebben op hun deel van de zekerheden, omdat DAF dat in 1988, toen de obligaties werden uitgegeven, met zoveel woorden heeft toegezegd in het prospectus. Deze toezegging kan toch geen loze belofte zijn geweest, vinden de beleggers. DAF was bij de uitgifte van de obligaties in 1988 nog niet aan de effectenbeurs genoteerd, maar een familiebedrijf, dat beleggers niet kenden. Juist de toezegging over eventuele zekerhede gaf hen houvast.

De beleggers kregen in 1992 ook zekerheden, zo redeneren de banken, maar de moedermaatschappij DAF bezat niets anders dan aandelen van de dochters. Maar die bleken na het bankroet in 1993 niets meer waard te zijn. De banken bezaten de waardevolle machines en andere materiële bezittingen van de dochters.

De Hoge Raad gaf de banken gisteren in die zin gelijk, dat hun klachten over het arrest van het Amsterdamse gerechtshof werden toegewezen. Het hof had te ruime criteria gebruikt om de zaak te beoordelen, vinden de hoogste rechters. Het gerechtshof in Den Haag, dat het conflict nu zal moeten beoordelen, moet zich baseren op de tekst van de overeenkomst (trustakte) tussen DAF en de obligatiebeleggers, die worden vertegenwoordigd door de trustmaatschappij NTM.

Het Amsterdamse hof vond het vanzelfsprekend dat moeder DAF samen met de dochters één economisch concern vormden, en dat een toezegging van de moeder tegenover beleggers daarmee ook gold voor de dochters.

De Hoge Raad lijkt nu meer een aanhanger van een versmalde, meer juridische opvatting over die verhouding, waarin de moeder niet vereenzelvigd kan worden met de dochtermaatschappijen. De opvatting van het hof wordt echter niet keihard afgewezen. Maar de Hoge Raad hamert er wel op dat de tekst van de trustakte bepalend is, en niet wat de betrokken partijen ,,gelet op de omstandigheden van het geval over en weer van elkaar mochten begrijpen''.

,,De Hoge Raad kijkt alleen naar de lettertjes van de akte'', reageert Thunnissen. ,,Het onderstreept de macht van de banken, die met goede advocaten de zaak kunnen vertroebelen.''

Hij wil nog wel doorgaan, al is hij inmiddels 75. Hij ziet bijvoorbeeld nog wel kansen voor een claim tegen ABN Amro dat het prospectus van de obligaties misleidend was.