Conservatisme ontbeert stevige wortels

De commentaren van de conservatieven op maatschappelijke en politieke ontwikkelingen verdienen serieuze aandacht. Maar als politieke filosofie heeft het conservatisme wel beperkingen, meent Kars Veling.

Ze komen niet uit de lucht vallen, de conservatieve geluiden die sinds enige tijd klinken. Ze zijn een reactie op een aantal ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving van vooral autonome burgers. Die verbinden vrijheid niet altijd vanzelfsprekend met verantwoordelijkheid. In een maatschappij die voor haar structuur afhankelijk is van de voortdurende onderhandelingen van autonome individuen, krijgt het recht van de sterkste te veel ruimte. Het publieke domein wordt gemakkelijk verwaarloosd. Deze ontwikkelingen roepen conservatieve reacties op.

Een blik in de wereldgeschiedenis leert dat mensen gefascineerd worden door de mythe van de autonomie. Zie Adam en Eva: zij lieten zich verleiden door de gedachte `als God' te kunnen worden. De klassieke Griekse tragedies tonen keer op keer mensen die de menselijke maat willen overschrijden. De figuur van Faust is universeel herkenbaar als het prototype van de mens die geobsedeerd wordt door onbegrensde kennis en macht. Nietzsche voert de idee van de autonomie van de mens tot in de uiterste consequenties, en velen laten zich door zijn boeken inspireren.

In al die voorbeelden wordt ook duidelijk hoe gevaarlijk het is zich door de mythe van de menselijke autonomie te laten leiden. Adam en Eva worden uit het paradijs verjaagd en roepen een vloek af over de mensheid. De tragische helden van de Griekse dichters moeten hun overmoed onvermijdelijk bezuren. Met Faust loopt het niet goed af, uiteindelijk komt de duivel hem halen. En ook Nietzsche maakt in sterke beelden duidelijk dat de mens die autonoom wil zijn, die God heeft gedood, angstwekkende risico's loopt. De aarde raakt uit haar baan om de zon. De mensen weten niet meer wat onder of boven is.

De fascinatie door de mythe van de autonomie is altijd gemengd geweest met schrik en afkeer. Die reactie heeft alles weg van wat we nu conservatisme noemen, dat wil zeggen van het conservatisme als attitude. Een conservatief waarschuwt voor overmoed. Hij vindt dat je er niet vanuit kunt gaan dat de mens vanzelfsprekend het goede doet. Mensen zouden zo verstandig moeten zijn tradities te respecteren. Vrijheid is goed, maar dan wel binnen gegeven kaders.

,,De belangstelling voor het verschijnsel Conservatisme neemt momenteel weer toe'', schreef H.W. von der Dunk in 1976 ter inleiding van zijn boek Conservatisme. Volgens hem lag de oorzaak in het feit ,,dat we een periode van experimenteermanie op cultureel en politiek vlak hebben beleefd, waarbij ook de symptomen van reïnfantilisatie niet ontbraken.'' Provo, het studentenverzet en de groeiende invloed van een `moet kunnen' mentaliteit, riepen reacties op. Mijns inziens onderschatte Von der Dunk hiermee het conservatisme als een manifestatie van verzet tegen de overmoed van de mens die zich autonoom waant.

Als principiële waarschuwing moet ook de huidige belangstelling voor het conservatisme in Nederland serieus worden genomen. Een maatschappelijke ontwikkeling waarin hoe langer hoe meer individuele belangen en voorkeuren maatgevend zijn, is riskant. Overheidsbeleid dat al jarenlang eenzijdig is gericht op geld verdienen en geld uitgeven, schaadt publieke belangen zoals een sterke en verantwoordelijke samenleving, adequate gezondheidszorg en goed onderwijs.

Bezien wij het conservatisme als politieke theorie dan moet de vraag worden gesteld wat de norm is waaraan conservatieven de maatschappij en de overheid meten. Is dat de status quo? Of een – al dan niet geïdealiseerd – verleden? Conservatisme als houding kan mijn sympathie wegdragen. Het is goed dat we op onze hoede zijn voor overschatting van de autonomie van de mens. Maar daarmee is onvoldoende gezegd. Groen van Prinsterer, de 19e-eeuwse voorman van het christelijk-politiek denken, had op veel terreinen uitgesproken conservatieve ideeën. Maar terug naar het ancien régime wilde hij ook niet. Het `er is geschied' van het conservatisme wilde hij aanvullen met `er staat geschreven'. Niet het verleden is de uiteindelijke maatstaf, maar een norm die hij vond in de bijbel. In de `antirevolutionaire' lijn van Groen wil ook de ChristenUnie uiteindelijk geen conservatieve partij zijn.

Afwijzing van autonomie betekent aanvaarding van normen. Vrijheid kan niet bestaan zonder verantwoordelijkheid. Maar de afwijzing van autonomie heeft niet alleen consequenties voor de private sfeer. Overal waar macht bestaat, moet verantwoording worden geëist. En dat vraagt ook een actieve overheid, actiever dat de nieuwe conservatieven lijken te willen.

De overheid draagt het zwaard niet tevergeefs, is door christenen altijd gezegd. Hiermee wordt geduid op de beschermende taak van politie en justitie. Maar de bescherming van burgers betekent ook dat essentiële voorzieningen in de samenleving toegankelijk blijven, bijvoorbeeld in de sociale zekerheid. Of dat kaders worden gesteld voor economische bedrijvigheid.

Daarom schiet maatschappijkritiek in termen van `bewaren' tekort. Niet omdat er niet veel is dat bewaard zou moeten blijven, maar omdat de beoordeling daarvan een norm vergt die het conservatisme niet in zichzelf zal kunnen vinden. Waar komt die norm dan vandaan?

De nieuwe conservatieven putten uit de christelijk-humanistische traditie. Maar dan wel in een variant die beïnvloed is door het liberalisme, met name ook door de liberale aversie tegen overheidsbemoeienis met het maatschappelijke leven. De nieuwe conservatieven zijn teleurgestelde liberalen.

Het hedendaagse conservatisme is interessant, ook voor de ChristenUnie. Maar over normen en de herkomst van die normen moet nader worden nagedacht. Want zonder stevige wortels kan het conservatisme niet verder komen dan een – wellicht nuttige – tegenbeweging.

Kars Veling is beoogd lijsttrekker van de ChristenUnie. Dit is de negende bijdrage in een serie over het conservatisme. Eerdere artikelen verschenen op 3,10,17,24 februari en 3,8,10 en 17 maart.