Weg. Opgegeten. Leeg

`Onze kunst is de sublimering van een volk dat in zijn schulp is gekropen'. Deel 3 van de zoektocht naar de kern van de Nederlandse cultuur.

Nederlanders zijn helemaal niet zuinig. Het is veel erger: wij mogen niet genieten. Waar wij de Fransman genoeglijk `paturain' horen knorren als hij weer eens met zijn neus in de wijn hangt, waar de Belg met zijn Bourgondische taaltje steevast aangetroffen wordt met een varkensbout in de vettige pollen, waar de Toscaanse boer uit louter tijm en knoflook een feestmaal weet te bereiden – hij knijpt zijn vrouwtje eens schalks in de billen, het leven is mooi – daar weten wij: snoep verstandig, eet een appel. Of peen en uien. Of exact één gehaktbal.

Van onze adellijke voorouders is bekend dat zij 's winters het liefst met de familie in het donker zaten, en wel in een steenkoude kamer, zulks om de kosten te drukken. Nee, de Hollandse adel had het bepaald niet gemakkelijk. Luxe bestond echter wel; deze bevond zich doorgaans in het salon, een bijzonder fraai ingerichte kamer, met de pronkstukken van de familie erin uitgestald. Maar gebruikt werd deze kamer dan weer niet, zij was slechts bestemd voor speciale gelegenheden, die zich nooit voordeden. Zoals feesten. Wie het breed heeft, laat het breed hangen, zou men denken, maar terwijl van verre het gelach en gestamp der buitenlandse adel te horen was, zaten wij onze boterhammetjes tevredenheid te eten: wie wat bewaart die heeft wat, en dan ga je dood. Leve het calvinisme!

Nederlanders moeten boetedoen. Het is een straf en dat zit zo. Wij hebben namelijk in een grijs verleden verschrikkelijke dingen gedaan. Waren het niet de Nederlanders die Christus eigenhandig aan het kruis hebben genageld?

T'en zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten,

Noch die verradelijck u togen voort gericht,

Noch die versmadelijck u spogen int gesicht,

Noch die u knevelden, en stieten u vol puysten,

(...)

Ick bent, ô Heer, ick bent die u dit heb gedaen,

Ick ben de swaren boom die u had overlaen,

Ick ben de taeye streng daermee ghy ginct gebonden,

De nagel, en de speer, de geessel die u sloech,

De bloet-bedropen croon die uwen schedel droech:

Want dit is al geschiet, eylaes! om mijne sonden.

(Revius)

Ja, wij hebben het behoorlijk verpest bij God. Hij had sowieso al een hekel aan ons – Adam en Eva waren de eerste Nederlanders – maar dit sloeg werkelijk alles. `Boeten moeten jullie! Het is afgelopen met de genoegens des levens, afgelopen ook met de geneugten van het vlees! Gij, laagste aller landen, gij zult niet genieten! Vrezen zult gij mij, en ik zal u zo hard in de diepte trappen dat de dood u welkom zij!' Aldus sprak God en de rest is geschiedenis. Wij zijn van Hem verstoken.

Hoe anders verging het de Italianen, gelukkige bofkonten. Die mogen werkelijk alles van God! De Italianen zijn Zijn troetelkinderen. Zij mogen Hem vereren, Zijn vrouw aanbidden en genieten van het leven. Zij wel. Ondoorgrondelijk.

Bij een bezoek aan Florence, vorige maand, werd ik eenvoudigweg overdonderd door wat ik te zien kreeg aan Italiaanse beeldhouw- en schilderkunst. Het was niet zozeer de hoeveelheid, als wel de kracht van de werken die mij stom sloeg. Kerk na kerk, zaal na zaal werd ik geconfronteerd met een totaal andere kunst dan de onze. De Italianen houden van het leven. Dit blijkt alleen al uit hun favoriete thema's in de middeleeuwse en renaissancistische schilderkunst: Maria met Kind, Gabriël brengt Maria de Blijde Boodschap, Portretten van de Heilige Familie. Het zijn onderwerpen die bij uitstek symbool staan voor de kracht van het leven. Daarnaast natuurlijk ook de gebruikelijke Christussen aan het Kruis en Kruisafnemingen, maar zonder beschuldigende vinger; zij tonen de rouw om de dode, het is het verdriet om het verloren leven. De Italiaanse thema's zijn zuiver menselijk, hetgeen wordt weerspiegeld in hun uitwerking, de schilderstijl zelf.

Deze is er een van vlees en bloed. Het grootste ideaal sinds het afscheid van de steriele Byzantijnse schilderkunst, was om het leven natuurgetrouw af te beelden. Christus en zijn heilige aanverwanten worden geportretteerd als mensen; goden van vlees en bloed. Alles leeft; ook de martelaars die voor het geloof zijn gestorven – vaak en graag door de Italianen in het zonnetje gezet – kijken je na hun immer gruwelijke dood triomfantelijk aan, terwijl het bloed uit het hoofd gutst: ik dood? Ben je gek, God is met mij! God is OK!

Ontroerend is de liefde van het Christuskind voor zijn moeder. En de Maria's van Filippo Lippi en Sandro Botticelli – de Madonna del Magnificat! – worden bijna te menselijk in hun schoonheid. Ze zijn zowaar sexy.

De Italianen verstaan de kunst van het vereren, zij kennen het genot van lief te hebben en schamen zich niet. Aldus schiepen zij de levende mens.

Tezelfdertijd werd in de minder flamboyante Nederlanden hard gewerkt aan een ander project: het dorre gebeente. Apocalypsen, Kruisgangen, Hel & Verdoemenis. Ook leuk, maar anders. Doordrongen van het heilzame calvinisme hebben onze voorouders de dood altijd meer op prijs gesteld dan het leven. Eeuwigh gaat voor oogenblick. Het leven komt er maar bekaaid van af, daar hoeft men slechts de Nederlandse poëzie uit de 17de eeuw op na te slaan: een en al wuftheid, vergankelijkheid, schijn, stof, slijk, doodsverlangen, vliedende tijd, vluchtigheid. Het leven is slechts een droom; de dood, dát is je ware. Het bleek vruchtbare bodem voor de prachtigste poëzie.

Hier in dit klein, doch stil vertrek,

Tracht ik alleen myne vreugd te zoeken;

Daar ik my al 't gewoel ontrek,

En my verlustig in myn boeken,

En hou de weereld voor myn gek.

Al 's weerelds vreugd acht ik een spook,

Die men op 't vaardigst ziet verzwinden.

Dit leer ik hier, wyl 'k zit en smook:

Mits ik daar daaglyks uit kan vinden,

Dat alle vreugd is min als rook.

(...)

Dit brengt my hier myn eenzaamheid

Gestadig voor in myn gedachten,

Zo dat ik leer geen zekerheid

Van al dees weerelts vreugd te wachten;

Want alles is maar ydelheid.

(Focquenbroch)

IJdelheid. Deze levensverachting vindt men ook terug in onze schilderkunst uit de Gouden Eeuw. Vanitas-schilderijen, met de eeuwige doodshoofden, maar vooral de stillevens, zijn genres die tekenend zijn voor Nederland: er komt geen mens in voor.

In het stilleven is dat ook niet mogelijk. De schaal is te klein, de afstand werd opgeheven. Het is geen toeval dat in de Gouden Eeuw de microscoop door Nederlanders werd uitgevonden. 'Joehoe God, ben je daar?' Wat overblijft wanneer vlees en bloed zijn uitgebannen, is het onstoffelijke. Toegegeven, het stilleven is een genre waarin de schilder juist kan tonen hoezeer bedreven hij is in het weergeven van stoffelijke zaken – zachte, wollige perziken; harde, glanzende kreeften – maar in extremis is het een weergave van de dood: dode materie, zodanig geordend op een tafel, dat het de onnatuurlijkheid ervan, de levenloosheid nog eens benadrukt. Het is statisch en van God verlaten.

Een mooi voorbeeld van een Nederlands stilleven is Stilleven met Haringkop, van Willem van Aelst, te bezichtigen op de Rau-tentoonstelling in de Kunsthal. Allereerst zijn daar natuurlijk de christelijke symbolen van het brood en de vis. Van deze vis zijn alleen de kop en de staart nog over; het lichaam is eruit. Weg. Opgegeten. Leeg. Maar het meest intrigerende is, zoals in vrijwel elk stilleven uit de Gouden Eeuw, het glas. Het glas, gevuld met witte wijn, staat na het nuttigen van de sobere maaltijd nog altijd onaangeraakt. (Matigheid! Laat staan dat glas! Het is een verzoeking van de Duivel!)

Het glas is dus vol, maar wie goed kijkt, ziet ook géén glas. Er staan slechts een paar witte vegen op het doek. Het glas zelf is er niet, het is onstoffelijk, afwezig. Er is alleen lichtval over. Dit glas nu toont Neerlands grootheid; zij wordt gevonden in haar nietigheid. Dit leven is het leven niet. Dit leven is als glas, alleen wijzelf helaas weer niet.

Hoe dick nam ick u ted're handen

En druckten s'aen myn slincker borst?

Daer my het binnenst scheen te branden

Van 't geen dat ick nauw spreken dorst:

Daer wenst' ick myn

Een vensterkijn,

Van Kristalijn,

Of van fijn spieghel glas,

Dat ghy mocht sien, hoe ick te moede was.

(Bredero)

Het lichaam is de Nederlanders een last, het zit ons in de weg. Onooglijk stof willen we zijn! Lucht!

Daar zijn oplossingen voor. Naast stillevens kent men in Nederland de landschappen van Ruysdael cum suis, panorama's, vergezichten. En wederom is hier alles heerlijk uitgestorven. Het is louter ruimte, lucht en een lijn zoals die slechts in Nederland te vinden is: de vlakke horizon. Het is geen toeval dat in de Gouden Eeuw de telescoop door Nederlanders werd uitgevonden. 'Joehoe God, bent u dan misschien daar?'

En dan, de fameuze schilderijen van Hollandse kerkinterieurs. Her en der scharrelen misschien enkele nietige stervelingen rond, maar zij dienen slechts tot versterking van het effect: de ruimte van een monumentale, immense kijkdoos, en – groter cliché is nauwelijks denkbaar, grotere waarheid evenmin – het bijna abstracte spel van licht en lijnen.

Nederlanders zijn Meesters van de Abstractie, omdat zij op zoek zijn naar God. Zij verwierpen niet enkel de mens als maat der dingen, zij schiepen ook een Hollandse maatstaf voor schoonheid; die van de ontstoffelijking.

Wij schilderen onze figuren niet los van een open achtergrond in de buitenlucht, waardoor zij naar voren lijken te komen. Onze schilderkunst culmineert niet, zoals de Italiaanse, in de beeldhouwkunst van vrijstaande sculpturen. Onze kunst brengt God niet dichter bij de mensen, maakt Hem niet tastbaar. Onze kunst is de sublimering van een volk dat in zijn schulp is gekropen uit angst voor die God. Zij is het tegendeel van het reliëf; zij doet een stap naar achteren. Onze taferelen vinden plaats achter het doek in plaats van ervoor, en wel in een kijkdoos, een veredelde schulp. Het is de wereld van de binnenkant, de verinnerlijking, de gedachten, de behuizing. Het is de idee van de doorkijkjes, zoals bij Pieter de Hooch; interieurs met open deuren die steeds dieper naar binnen kijken. Het is de ruimte erachter.

Als God onstoffelijk is, is Vermeer zijn profeet. Johannes Vermeer is degene geweest par excellence die onze afkeer van het leven, ons ziekelijke doodsverlangen, heeft weten te keren, om ons hun wederhelft te tonen, de schoonheid van de zuivere leegte. Splendor vacui. Vermeer heeft ons gered.

Vermeer plaatst zijn figuren in een kijkdoos, vlak tegen een grijze achterwand. De kijkdozen hebben steevast zwart-wit-geblokte marmeren vloeren, wat het idee van een afgesloten ruimte nog vergroot. De figuren, vrijwel altijd vrouwen, lezen of schrijven een brief, spelen muziek, of zijn in gedachten verzonken. Hun ogen zijn zelden te zien, ze zijn geloken. Het is de totale verinnerlijking. De ruimte is vacuümgetrokken. Bij Vermeer is de stilte een kleur geworden. Er is geen sprake van fysieke aanwezigheid, integendeel; de vrouwen zijn ongenaakbaar en afwezig, en wanneer ze wèl opkijken, weten we niet waarnaar. Ze kijken weg. Ze hebben niets met ons te maken, wij moeten hen vullen met onze gedachten.

Daarmee wordt het een vorm van lezen, abstraheren. Niets is wat het lijkt; een gitaar is symbool van de liefde, een roos die van 's levens kortstondigheid. De waarheid ligt achter hetgeen je ziet. Wat je ziet, heeft zelf geen waarde, maar is de paravent waarachter de betekenissen zich schuilhouden, naakt.

Een werk van Vermeer te zien is een intens ontroerende, maar louter geestelijke ervaring. Het is de kroon op onze abstracte zoektocht naar God. In de leegte hebben wij Hem gevonden.

En Rembrandt? Rembrandt is geen Nederlander. Zijn werk is theatraal, en voor theater heeft men levende mensen nodig, plus een schouwtoneel in plaats van een kijkdoos; zijn lichtgebruik is Italiaans; zijn thema's zijn Italiaans; hij brengt de verf aan met zijn paletmes om reliëf te verkrijgen; en de doodsheid in zijn klagende Jeremia is slechts schijn, want intussen wordt in de verte Jeruzalem gebrandschat. Jeremia's treuren vormt het dramatische hoogtepunt van een toneelstuk.

Rembrandt was een Italiaan, Vermeer een Nederlander. Convex\Concaaf. Dit land bestaat uit minstens twee culturen.

Volgende week begeeft de schrijver Marcel Möring zich in het Holst van Nederland

Zie ook `Tegenspraak', www.nrc.nl