Waarom? Hoezo? Leg uit!

Om zijn ideeën over de functie van het museum te toetsen aan die van anderen voerde Chris Dercon, directeur van het Rotterdamse Museum Boijmans Van Beuningen, de afgelopen twintig jaar een reeks vraaggesprekken met buitenlandse kunstenaars, kunsthistorici, critici, een socioloog, architect en filosoof. Onder de raadselachtige titel Ik zou een museum willen maken waarin de dingen elkaar overlappen heeft Dercon deze interviews nu gebundeld. Het boek heeft een uitvoerige ondertitel: `Het ideale museum van Chris Dercon is niet denkbaar zonder de radicale voorstellen, probleemstellingen én oplossingen van Daniel Buren, Douglas Crimp, Serge Daney, Thierry de Duve, Paolo Fabbri, Dan Graham, Rem Koolhaas, Bruce Nauman, Richard Sennett, Jef Wall en Brian Wallis. Een boek over de revolutionaire gedaanteverandering van de beeldende kunst, de macht en onmacht van het museum, de terreur van de kijkcijfers, maar ook over het respect voor de toeschouwer.'

In zijn inleiding vertelt Dercon dat de meeste interviews weliswaar plaatsvonden in de jaren tachtig, maar dat ze nog niets aan actualiteit hebben ingeboet. Integendeel: sommige gesprekken, zoals dat met de Amerikaanse kunstenaar Bruce Nauman, `hebben met de tijd zelfs aan gewicht gewonnen en hun belang dringt nu pas duidelijk door'.

Nu gaat het interview met Bruce Nauman geheel over zijn vroege videokunst die hij gedetailleerd mag toelichten aan de hand van vragen als `Waarom treedt er een verschuiving op in de beeldvolgorde van Violent Incident?' Het gesprek komt hierdoor nogal gedateerd over en dat geldt helaas ook voor de meeste andere gesprekken. Zo klaagt Rem Koolhaas dat de ene stroming in de beeldende kunst de volgende alweer oproept. In de jaren tachtig gold dat misschien nog, maar nu niet meer. De Amerikaanse kunsthistoricus Douglas Crimp en de kunstcriticus Brian Wallis keren zich tegen het fenomeen van de blockbusters, exposities in de trant van Het goud der Thraciërs, die met veel pracht en praal een groot publiek moeten trekken. De opwinding over dit fenomeen is inmiddels allang verstomd. Ook de semiotiek waarover de Italiaanse filosoof Paolo Fabbri in 1987 uitweidde tegen Dercon, kun je moeilijk nog actueel noemen.

Kritiekloze bewondering

Het gedateerde van de gesprekken is niet het grootste bezwaar tegen deze bundel. Dercon heeft geen enkele moeite gedaan om de interviews in helder Nederlands op te schrijven. Alle geïnterviewden praten in dezelfde ronkende en wijdlopige stijl. Met veel aplomb poneren ze de meest onzinnige of onbegrijpelijke stellingen zonder dat Dercon hun om uitleg vraagt, of om argumenten. Meestal is zijn houding er een van kritiekloze bewondering en soms zijn de vragen die hij stelt ronduit slijmerig. Zulk imponeerproza komt op sommige mensen over als diepzinnig en bevlogen. Het was juist om die `bevlogenheid' van Dercon dat de Rotterdamse ex-burgemeester Peper en zijn kunstwethouder Kombrink in 1994, tegen alle wijze raad in, ijverden voor zijn aanstelling als directeur van Museum Boijmans Van Beuningen.

De in 1992 overleden Franse filmcriticus Serge Daney beweert dat we niet meer in een humanistisch tijdperk leven, maar in `een soort van eeuwigdurend technologisch-mythologisch-kosmogenisch festival'. Ook voorspelt hij dat de cinema `net zo'n zonderling zal worden als de olieverfschilderkunst'. Beeldend kunstenaar Jeff Wall meent dat het computerbeeld, in tegenstelling tot een `gewone foto' een `synthetisch en hybride tijdsconcept inhoudt'. De socioloog Richard Sennett verklaart dat een `taxonomisch museum geen ruimte biedt aan de herinnering' en filosoof Fabbri vertelt dat `het beeld en het vertoog' verschillende `denkende instanties' zijn. Hoezo, waarom, leg uit, denk je als lezer bij dit soort beweringen, maar zo niet Chris Dercon, die kennelijk alles even belangwekkend vindt.

Soms nemen de gesprekken groteske vormen aan, bijvoorbeeld wanneer Fabbri uitlegt dat de mens weliswaar verschillende passies kent, maar dat die `steeds te maken hebben met het begrip tijd'. Ja, daar heeft alles onder de zon mee te maken, maar Dercon laat hem onbelemmerd door oreren.

Over de functie van het hedendaagse museum wordt de lezer intussen niet veel wijzer. In zijn vragen laat Dercon af en toe iets van zijn ideeën hierover blijken, maar hij komt niet verder dan wat slagen in de lucht. Zo zegt hij tegen Rem Koolhaas: ,,Ik denk dat musea driedimensionale cinemaschermen of grote theaterscènes zullen worden.'

Het boek besluit met een interview dat een Duitse journaliste in 1997 met Dercon zelf had. In dit vraaggesprek geeft hij af op de ongeïnformeerde Nederlandse kunstkritiek, op Museum Boijmans Van Beuningen, dat hij `een log en moeilijk instituut' noemt en op `de kunstscene' die volgens hem `behoorlijk anti-intellectualistisch is'. Je vraagt je af wat Dercon onder intellectualisme verstaat. Toch niet het uitkramen van grote woorden die niets betekenen? Afgaande op dit boek zou je dat wel gaan denken.

Chris Dercon: Ik zou een museum willen maken waarin de dingen elkaar overlappen. NAi Uitgevers, 160 blz. ƒ34,50