Voor het eerst op de bagagedrager gesprongen

`Een allochtoon' noemt Eric de Kuyper zichzelf in het begin van zijn vorig jaar verschenen bundel multiculturele overpeinzingen Met gemengde gevoelens. Maar dan wel een `luxe-allochtoon'. Als tweetalige Belg kan hij naar eigen zeggen `autochtonie afdwingen of afkopen'. Zijn taal en voorkomen wekken de schijn van volbloed Nederlanderschap. Zelf blijft hij, na meer dan twintig jaar in dit land te hebben gewoond, een onoverbrugbaar verschil ervaren. In Met gemengde gevoelens gaf hij lucht aan zijn verwondering, en soms zijn ergernis, over de vreemde natie die Nederland is.

Zojuist is daar een tweede bundel bijgekomen: Een vis verdrinken – naar de onvertaalbare Franse uitdrukking waarvoor het Nederlands zelfs geen equivalent heeft. Ondank zijn beleden liefde voor Nederland is De Kuyper daarin aanzienlijk scherper en kritischer over het land dat maar niet wil genezen van de misverstanden die het over zichzelf koestert.

De Kuyper rekent bij voorbaat op weinig begrip van zijn nieuwe landgenoten. Nederlanders hechten volgens hem aan hun eigen stereotypen, die ze onder de dekmantel van zelfrelativering meestal even aandoenlijk als voorbeeldig vinden. Wee degene die daaraan morrelt, want op dat punt zijn Nederlanders snel gekwetst. Vooral wanneer die kritiek van een `buitenlander' komt, want naar buiten toe houden Nederlanders liever de schijn hoog waarin ze ook zelf hartstochtelijk geloven. Er gaapt volgens De Kuyper een enorme kloof tussen het alledaagse Nederlandse leven en het beeld dat de bewoners daarover zelf koesteren. Nederlanders zien hun land graag als ongecompliceerd en zichzelf als nuchter en eerlijk. Het tegendeel – zo moest deze luxe-allochtoon ervaren – is het geval.

Deugdzaamheid

Het grootste misverstand dat Nederland over zichzelf koestert is wel dat individualisme er hoogtij zou vieren. De norm is volgens De Kuyper eerder volgzaamheid, conformisme en een mateloos vertrouwen in de overheid. Vandaar dat de vele schandalen vrijwel nooit tot een echte crisis leiden, omdat ze ergens onderweg verdampen en vervolgens nooit lijken te hebben bestaan. En daardoor blijft het Nederlandse geloof in de eigen deugdzaamheid, zo geheel anders dan het verdorven België en andere, nog zuidelijker buitenlanden, onaangetast. Over corruptie, zo schrijft De Kuyper met lucide opmerkingsgave, reppen de Nederlandse media alleen wanneer het over andere naties gaat. Binnen Nederland komt hoogstens `fraude' voor.

Terwijl de doofpot zichtbaar onderdeel uitmaakt van de Belgische politiek, is die – als een soort Droste-busje – in Nederland ook nog eens in zichzelf weggestopt en het resultaat is een schijnbaar vlekkeloze samenleving die hartgrondig in zichzelf gelooft. Vandaar dat Nederland zijn eigen schijnbeeld zo effectief weet te exporteren, met het `poldermodel' als laatste variant. Niemand veinst nu eenmaal zo succesvol als wie meent oprecht te zijn. Daarom hebben Nederlanders het meestal heel goed met zichzelf getroffen, al laten ze dat slechts indirect merken. Chauvinisme is hen immers vreemd; daarvoor moet je – zoals bekend – in Frankrijk zijn.

Als tweetalige Brusselaar wijdt De Kuyper een aantal behartenswaardige bladzijden aan de twee culturen waartussen hij opgroeide: de Franse en de Nederlandse. Beide hadden hun zwaartepunt over de grens en daardoor iets vreemds, maar de zuidelijke was veel uitnodigender dan de noordelijke en daardoor had het weinig gescheeld of De Kuyper was een Franstalige auteur geworden. Assimilatie was daarvoor weliswaar een voorwaarde, maar in het Franse zelfbewustzijn school ook iets genereus. De cultuur van Parijs bekommerde zich tenminste om een land als België, schrijft De Kuyper, en haar republikanisme was erop toegesneden iedereen daarin een plaats te geven. Was dat werkelijk zoveel slechter dan de desinteresse waarmee Nederland zijn zuiderbuur in zijn sop liet gaar koken?, vraagt hij zich af.

Nederland rekent zichzelf dat aan als bescheidenheid en tolerantie, maar in werkelijkheid is het volgens De Kuyper een stuk minder discreet en verdraagzaam dan het zelf denkt. Nuchter stelt hij vast dat hij in geen enkel ander land zozeer om zijn uiterlijk is gepest en dat het aantal xenofobe incidenten er zozeer is toegenomen dat de autoriteiten de cijfers maar liever niet publiceerden. Die statistische verdwijntruc moet er in Nederland wel vaker aan te pas komen om het nationale ideaalbeeld te redden. Zo moest een nieuwe definitie van arbeidsparticipatie een aantal jaren geleden het feit verhullen dat Nederland in de vrouwenemancipatie een Europese hekkensluiter was. Nog maar een paar weken terug werd om diezelfde reden aan de Vrije Universiteit één hoogleraarsplaats verdeeld over zeven vrouwelijke professoren.

Die laatste voorbeelden komen niet van De Kuyper zelf, maar ze sluiten naadloos aan bij zijn constatering dat Nederlanders er meesters in zijn de ogen te sluiten voor hun eigen hypocrisie en deze vervolgens als deugd weten te verkopen. Welk land slaagt erin wetten af te kondigen waarin de overtreding bij voorbaat bewust is ingebakken, en deze vervolgens aan het buitenland ten voorbeeld te stellen? Ook al strompelt de euthanasiewetgeving van incident naar incident en is Nederland dankzij zijn drugsbeleid mondiaal marktleider in xtc-pillen geworden, op elk spoor van kritiek reageert Nederland als door een wesp gestoken.

Loketcultuur

Maar lang niet alles wat De Kuyper in deze bundels schrijft is knorrig. Hij houdt oprecht van Nederland, waarvan hij de charmes vaak op de meest onverwachte plaatsen vindt. Bijvoorbeeld in de loketcultuur die – anders dan veel Nederlanders menen – voorbeeldig functioneert, met behulpzame ambtenaren en vriendelijke medewerkers. Lyrisch beschrijft hij de vanzelfsprekendheid waarmee Nederlanders hun huizen en openbare ruimten opsieren met smaakvol geschikte bossen bloemen, en daarbij zowel hun spreekwoordelijke zuinigheid als esthetische lompheid loochenen.

Dat hij verbaasd staat over de handigheid en vanzelfsprekendheid waarmee Nederlanders, van jong tot oud, de fiets hanteren is minder verrassend, maar zijn verhaal over de eerste keer dat hij door een passerende student op de bagagedrager werd uitgenodigd is in zijn verbijstering zeldzaam geestig. Verrassend is dan weer zijn lofzang op de eindeloze variëteit aan snoepgoed dat rond Sinterklaas in de winkels verschijnt en dat in al zijn verscheidenheid vaak niet eens een naam heeft.

Dat laatste is veelzeggend, meent De Kuyper, want meer nog dan in andere landen geldt in Nederland dat nationale charmes alleen maar onopgemerkt kunnen bestaan. Zodra Nederlanders er een cultus van maken, gaat het mis. Nergens werd dat zo duidelijk als tijdens de Europese top in Amsterdam, waarop de leiders van de diverse landen een fiets kregen aangeboden. In één klap, schrijft De Kuyper, toonde de Nederlandse neiging tot `gewoon-doen' zich in al haar onhebbelijkheid. De vernedering van de niet-fietsende leiders die zich voor de camera's krampachtig op het zadel hesen was diep en onvergeeflijk, maar Nederlanders vonden het prachtig. Duitse hooghartigheid en Frans chauvinsime werden door het symbool van nationale deugdzaamheid genadeloos afgestraft. `Dat zal ze leren,' hoorde je hen denken. Daar zat weinig fijnzinnigheid, respect of tolerantie bij.

Eric de Kuyper: Met gemengde gevoelens. Over eigenheid, identiteit en nationale cultuur. SUN, 250 blz. ƒ39,50 Eric de Kuyper: Een vis verdrinken. Een niet-Nederlander tussen de Nederlanders. SUN, 149 blz. ƒ29,50