Reis rond de wereld in dorre feiten

Het idee is origineel: beschrijf de wereldgeschiedenis van een enkel jaar. De Engelse historicus John E. Wills koos voor zijn horizontale geschiedschrijving het jaar 1688 tot onderwerp en zijn boek 1688. A Global History bestrijkt ook werkelijk de meeste plekken op de aardbol waar toen mensen leefden. Het doel van deze vondst? Het is Wills duidelijk niet begonnen om een of meer algemeen historische fenomenen te belichten, zijn geschiedenis is naast global nadrukkelijk ook globaal. Het gaat hem om de mensheid als geheel, de interacties van verschillende culturen. Zelf vergelijkt hij zijn methode met de opvallende diversiteit van de zeventiende-eeuwse Japanse schilder Shitao, die alle verschillende in omloop zijnde stijlen kon terugvoeren op één oer-penseelstreek die diep in zijn wezen lag besloten. Net als zo'n schilder wil de historicus zich laten leiden door invallen, door toevalligheden en verrassingen. ,,Like Shitao letting the One Stroke appear in many forms, he (i.e. Wills zelf) hopes to avoid system and to put before his reader many pictures of a world, reflecting the unconfineably variety, splendor, and strangeness of the human condition.'

Zo'n uitgangspunt ademt de tijdgeest: het gevoel dat de lineaire geschiedenis ten einde is, aangezien die niet langer in grote overkoepelende verhaallijnen is te vangen. Wills' boek ademt het hervonden humanisme dat tegenwoordig alomtegenwoordig is, de herondekte verwondering over al die culturele verscheidenheid op de wereld, met alle schoonheid en ellende, goed en kwaad. Hij wil niet één verhaal vertellen, maar talloze: de essentie zit voor hem in de verschillen, heel de ontzagwekkende pracht van al die vormen van menselijk streven. Terwijl Isaac Newton zich zorgen maakt over de ontvangst van zijn radicale theorieën, trekt de Japanse haiku-dichter Basho al dichtend de bergen in en beschrijft de blinde Duitse Rumphius de natuurlijke pracht van Ambon. Terwijl de slavenhandelaren aan de kunst van Afrika hun schepen laden, smeekt de Chinese keizer de genade van de goden af voor zijn doodzieke grootmoeder, enzovoort, enzovoort.

Al die verschillende episoden zijn door andere historici in afzonderlijke studies gereconstrueerd en Wills heeft er op zichzelf niets nieuws aan toe te voegen. Zijn inbreng is het nieuwe perspectief. Dat is bewust niet eurocentrisch; de Glorious Revolution in Engeland, die de Nederlandse stadhouder Willem III op de Engelse troon bracht, de gebeurtenis waar iedere Engelsman aan denkt wanneer hij het jaartal 1688 hoort, komt pas op tweederde van het boek aan bod. Hoeveel moeite het hem ook kost, aangezien de meeste geschreven bronnen van westerlingen afkomstig zijn, Wills probeert alle stemmen te laten klinken.

Zijn perspectief is natuurlijk ook sterk vertekenend: de mensen uit 1688 die hij tot zijn onderwerp heeft gemaakt, moesten zelf de wereldwijde blik ontberen. De meesten van hen zaten wel degelijk gevangen in hun eigen verhaal en zagen zichzelf niet in relatie tot andere volkeren en culturen. Voor hen stond de geschiedenis allesbehalve stil, zij gingen wel degelijk ergens naartoe, als het niet in deze wereld was, dan was het wel in de volgende. Wills heeft een scherp oog voor de vaak ongemakkelijke of hardhandige ontmoetingen van verschillende culturen, Hollanders in Azië, Chinezen in India, Franse jezuïeten in China, Spanjaarden in Zuid-Amerika, Engelsen in Noord-Amerika. Terecht stelt hij dat in veel ogenschijnlijk gesloten culturen wel degelijk een besef van andere werelden leefde, dat men ook wel nieuwsgierig naar elkaar was, maar dat is iets anders dan de onthechtheid van de vogelvlucht.

Bordkarton

Maar het grote probleem met dit boek zit 'm niet in de gedachte erachter. Het is de auteur zelf. Zijn idee blijkt helaas groter dan hijzelf. De historicus die de menselijke ervaring tot zijn onderwerp maakt, moet ook iets van de romancier in zich hebben. Om zijn bronnen tot leven te kunnen wekken, zal hij over een stijl moeten beschikken die al die menselijke verscheidenheid ook werkelijk voelbaar kan maken. Wills doet wel verwoede pogingen, hij probeert Rumphius schrijvend neer te zetten in een verduisterde kamer, de begrafenis van een Franse missionaris-wetenschapper in China in kleur en geur op te roepen, maar dat gaat hem slecht af. Het blijft bordkarton. Je hoort de historicus bijna opgelucht ademhalen als hij zijn stukje impressionistisch proza achter de rug heeft en zich weer op de droge feiten kan storten. Die feiten – het China onder keizer Xangxi, de Hollanders in Zuid-Afrika – blijven vreemd zweven, omdat ze in hun globale verband geen interessante regionale context kunnen krijgen. Geen wonder dat Wills zich zo nu en dan niet kan inhouden en zich aan geschiedschrijving waagt die ver over de door hem zelf ingestelde tijdgrens van 1 jaar voert. Maar meer dan dorre instantgeschiedenis wordt het niet.

Wanneer je door 1688 hebt heengeploegd, blijkt het idee erachter vreemd genoeg wel degelijk te werken – dat is het wonderlijke van dit moeizaam geschreven boek. Je bent oprecht verwonderd over de oneindige veelheid van menselijke activiteiten, verlangens en verwachtingen, aspiraties en heerszucht, het ongelooflijke spektakel van al die mensen die zich nog wel in de geschiedenis bevonden, al dat onvoorwaardelijke geloof in van alles en nog wat, God, de wetenschap, de vooruitgang, in raciale superioriteit, in het recht om te heersen, geloof in de twijfel zelfs. John E. Wills probeert daar een postmodern algemeen geloof in de mens zelf tegenover te zetten. Dat is interessant en loffelijk, maar hij had het beter een ander kunnen laten doen.

John E. Wills: 1688. A Global History. Granta Books, 330 blz. ƒ71,25