Pionier van nieuwe perversies

De late negentiende eeuw was het tijdperk van de seksuele perversies. Stuk voor stuk maakten ze hun opwachting: `homoseksualiteit' in 1869, `exhibitionisme' in 1877, `fetisjisme' in 1887. In de jaren negentig volgden nog masochisme, sadisme en pedofilie. Geestelijke vader van deze laatste drie begrippen was de vooraanstaande Oostenrijkse psychiater Richard von Krafft-Ebing (1840-1902), een van de pioniers van de opkomende wetenschap van het geslachtsleven.

Er is al vaker op gewezen dat die benoeming van perversies meer inhield dan louter een nieuwe omschrijving van oude verschijnselen. Vooral de Franse filosoof Michel Foucault heeft betoogd dat de medische bemoeienis met het geslachtsleven een wezenlijke verandering in onze seksualiteitsbeleving teweeg heeft gebracht. De nieuwe perversies verwezen niet meer naar bepaalde vormen van gedrag, maar naar een onderliggende geaardheid, een innerlijke aandrang. Zij beschreven niet langer wat iemand deed, maar wat iemand was. De prille medische classificaties, aldus Foucault, dwongen mensen in een nieuw keurslijf: ongevraagd kregen zij nu van hogerhand een `seksuele identiteit' aangemeten. Samen met de andere grote vorsers van het geslachtsleven heeft Krafft-Ebing de twijfelachtige eer een exponent te zijn van de nieuwe medische macht over het geslachtsleven.

De historicus Harry Oosterhuis trekt deze reputatie in zijn onlangs verschenen Stepchildren of nature. Krafft-Ebing, psychiatry and the making of sexual identity op goede gronden in twijfel. De aanleiding voor dit boek ligt in een vondst waar iedere onderzoeker slechts van kan dromen. Op bezoek bij de nazaten van Krafft-Ebing in het Oostenrijkse Graz werd Oosterhuis meegetroond naar zolder. En daar lag het dan, het archief van de oude Krafft-Ebing, van generatie op generatie overgedragen en sinds jaar en dag onaangeroerd: drie ondergestofte kisten vol manuscripten, aantekeningen, brieven, ansichtkaarten en meer dan duizend patiëntendossiers.

De vermelding van deze vondst maakt gretig, maar het geduld van de lezer wordt op de proef gesteld. Oosterhuis kiest voor de omtrekkende beweging en begint zijn boek met een uitvoerige schets van het negentiende-eeuwse medische en psychiatrische denken over seksualiteit, de zoektocht van psychiaters naar nieuw werkterrein en hun vurige streven naar wetenschappelijk aanzien.

Mannenbillen

Krafft-Ebing schreef over de meest uiteenlopende psychatrische onderwerpen, maar zijn naam is voorgoed verbonden met één titel: Psychopathia sexualis. Het boek, verschenen in 1886, bevatte een overzicht van alle mogelijke seksuele afwijkingen en werd razend populair. Dat hing ongetwijfeld samen met het prikkelende karakter ervan; de lezer stuit op een groot aantal citaten uit semi-pornografische lectuur, beschrijvingen van de seksuele onderwereld, pikante etnografische weetjes en tal van passages waarin personen uit de doeken doen hoe zij in verrukking raken van soldaten en volksjongens, van mannenbillen en stevige torso's, of juist van damesondergoed of zweepslagen, van zweetvoeten of kreupele meisjes. Het was een lange stoet van `stiefkinderen van de natuur', zoals Krafft-Ebing placht te zeggen, die hij eerder met deernis dan met afkeuring ten tonele voerde. Een groot theoreticus of analyticus school er verder niet in hem. De kurk waarop zijn seksuele pathologie dreef, bestond uit klinische observaties. Zijn werk is een aaneenrijging van voorbeelden.

Voor een deel beschreef Krafft-Ebing waarnemingen bij patiënten uit zijn eigen praktijk, maar hij riep zijn publiek ook op met hem contact op te nemen. Dat was niet aan dovemansoren gezegd. Veel van zijn lezers voelden zich aangesproken, schreven brieven, soms complete autobiografieën, waarin zij hun eigen geval voorlegden. Nauwgezet beschreven ze hun familiegeschiedenis, hun masturbatiegewoontes, vroegste seksuele ervaringen, fantasieën, fysieke kenmerken, karaktertrekken en psychologische eigenaardigheden. Vooral homoseksuele mannen uit hogere kringen gaven in groten getale gehoor aan de oproep van Krafft-Ebing, maar ook enkele masochisten en fetisjisten maakten hem deelgenoot van hun intieme leven. In totaal verzamelde hij 440 gevallen van seksuele deviantie, een aantal dat de bestaande casuïstiek op dit gebied ruimschoots overtrof.

Het centrale deel van Stepchildren of nature gaat over het seksuele rariteitenkabinet dat Krafft-Ebing aanlegde, en dan vooral over de homoseksuele mannen die zich vrijwillig aanmeldden. Hun verhalen zijn niet zelden aangrijpend. Uit hun soms genadeloze zelfontleding spreekt een enorme nood en een grote behoefte aan lotsverbetering. Sommigen wendden zich radeloos van zelfhaat tot Krafft-Ebing en waren wanhopig op zoek naar genezing. Het leven in het verborgene en schuldgevoelens hadden hen langzamerhand gebroken. Krafft-Ebing was voor hen vaak een vertrouweling en laatste strohalm, maar aan therapie had hij niet veel te bieden. Daar liet hij zich ook niet op voorstaan: hij beklemtoonde dat tegen de aangeboren gevoelsafwijking in het algemeen weinig te doen was.

Tegenover dit leger van ongelukkigen staat een tweede, groeiende groep correspondenten die zichzelf in het geheel niet als ziek beschouwde. Zij ervoeren hun verlangens als volslagen natuurlijk en verklaarden meer last te hebben van de maatschappelijke minachting dan van hun neigingen, die eigenlijk een bron van vreugde vormden. Sinds ze eraan toegaven was hun gezondheid er zelfs aanmerkelijk op vooruit gegaan. Deze groep hekelde de maatschappelijke vooroordelen en de onrechtvaardigheid in de wetgeving waaronder zij te lijden had. Ook de vigerende medische theorieën waarin homoseksualiteit als een teken van degeneratie en als pathologisch verschijnsel werd voorgesteld, moesten het geregeld ontgelden.

Verreweg de meeste patiënten, correspondenten en informanten uit het archief wist Oosterhuis terug te vinden in de publicaties van Krafft-Ebing. Opmerkelijk is dat hun verhalen letterlijk en vrijwel zonder commentaar zijn opgenomen. Passages die niet strookten met Krafft-Ebings eigen inzichten paste hij niet aan, kritiek op de medische opvattingen die ook de zijne waren, liet hij staan. De verspreiding van deze ongecensureerde stemmen moet voor velen een steun in de rug zijn geweest en heeft de totstandkoming van een gemeenschap van gevoelsgenoten waarschijnlijk bevorderd. Zelf was Krafft-Ebing, zo laat Oosterhuis zien, bepaald niet ongevoelig voor de aanzwellende roep om begrip. Hij erkende dat sommige van zijn patiënten en penvrienden moreel en esthetisch hoog ontwikkeld waren en gaf dat de gelijkgeslachtelijke liefde niet per definitie minder hoog hoefde te worden aangeslagen dan die tussen man en vrouw. Aan het eind van zijn leven publiceerde hij nog een artikel waarin hij verklaarde dat zijn medische benadering eenzijdig was geweest. Homoseksualiteit was op zichzelf geen teken van psychische degeneratie, zelfs geen ziekte, schreef hij, maar een betreurenswaardige speling van het lot.

Stiefkinderen

Krafft-Ebings seksuele pathologie speelt inderdaad een sleutelrol in de wordingsgeschiedenis van de moderne seksualiteitsopvatting, concludeert Oosterhuis. Niet omdat hij een vaandeldrager van de seksuele liberalisering was, maar vanwege zijn individualiserende en psychologiserende benadering van seksualiteit, die in de twintigste eeuw verder is geëxploreerd. Zijn werk heeft onmiskenbaar bijgedragen aan de totstandkoming van nieuwe seksuele categorieën en identiteiten, maar het is niet vol te houden dat deze volledig van boven af werden gedicteerd. Perverse patiënten waren veel meer dan de willoze slachtoffers waar Foucault ze voor aanzag. Als het werk van Oosterhuis iets duidelijk maakt, dan is het de vruchtbare wisselwerking tussen Krafft-Ebing en zijn stiefkinderen, de kruisbestuiving tussen het professionele medische denken en de zelfbeleving van de groep waarom het ging.

Dat klinkt misschien niet opzienbarend, maar vanwege de dominantie van Foucault in de geschiedschrijving van de seksualiteit, was het niet eerder zo duidelijk en overtuigend opgeschreven. Stepchildren of nature is om die reden een belangrijk boek, dat bovendien is geschreven met een bewonderenswaardige beheersing van de stof. Toch kent het een opmerkelijke hiaat. Oosterhuis schreef een cultuurgeschiedenis van de vroege seksuologie, opgehangen aan de persoon van Krafft-Ebing, maar het is duidelijk dat hij zich meer op zijn gemak voelt op het cultuurhistorische dan op het biografische vlak. Vaardig en met grote kennis van zaken wordt de omgeving van Krafft-Ebing ingevuld. Maar naarmate de achtergrond fraaier wordt ingekleurd, valt beter op dat zich in het centrum een curieuze witte vlek bevindt: de persoon van Krafft-Ebing. Wat was hij voor man? In amper een bladzijde wordt hij op basis van een paar in memoriams en een enkele herinnering van een collega neergezet als een onberispelijk huisvader, een tikkeltje formeel en gehecht aan goede manieren. Een harde werker die afstandelijk en gesloten overkwam. Meer krijgen we over hem niet te horen, want Oosterhuis gaat iedere persoonlijke toenadering vakkundig uit de weg. Alsof Krafft-Ebing zelf hem in het geheel niet interesseerde. Zo blijf je zitten met de vraag wat deze verwoede verzamelaar bezielde.

Harry Oosterhuis: Stepchildren of nature. Krafft-Ebing, psychiatry and the making of sexual identity. The University of Chicago Press, 321 blz. ƒ84,-