Ontploffing in Delft

Het Metropolitan Museum in New York lijkt op het Rijksmuseum in Amsterdam. Het Metropolitan is groter, de hal van de entree heeft al hangar-achtige afmetingen, de museumwinkel is een warenhuis op zichzelf, de zalen zijn groter, de gangen langer, maar in hun structuur ontlopen ze elkaar niet veel. Ook in rechthoeken kun je verdwalen, of juist in rechthoeken, als je niet zo verstandig bent geweest om je wandeling in een boekhouding vast te leggen. Het Metropolitan heeft een zaal waarin vier geharnaste ridders op geharnaste paarden de bezoeker tegemoet rijden. Dat zou een oriëntatiepunt kunnen zijn. Niet ver van de uitgang. Verderop is een arsenaal van wapens uit de achttiende en negentiende eeuw. Nadat je de percussiepistolen bestudeerd hebt, gebeurt het: je vastberaden wandeltred verandert in de museumslenter. Dat is het eerste teken van de bijzondere uitputting die `museumziekte' wordt genoemd.

Je wilt terug. Voor je het weet ben je in de afdeling Egyptische kunst, waar je niets te maken hebt, en dan besef je dat je verdwaald bent. Terug naar de harnassen. Die zijn weg. Vervangen door oude tapijten en marmeren drinkbakken. Suppoosten zijn hier niet. Wel een groepje Chinezen dat alleen Chinees spreekt. Zo ongeveer gaat het altijd, niet alleen in het Metropolitan, maar in alle oude schatkamers van dergelijke omvang. Vandaar de behoefte aan reorganisatie. De postmoderne mens wil geen verdwaalmuseum, maar instant-kunstbeleving. Dat is geen veroordeling. Het is nu eenmaal zo. Met een eigentijdse bewegwijzering zou er al verbeterd zijn.

Ik ging naar de vijftien schilderijen van Vermeer en nog een reeks meesterwerken uit de Delftse school kijken, van Pieter de Hooch, Carel Fabritius en anderen. Daarover valt niets nieuws meer te schrijven. Alles is al tientallen of honderden keren opgemerkt. Omstreeks 336 jaar later oog in oog te staan met de twee meisjes, (rode hoed en oorbel met een parel) het zijn ontmoetingen die je niet graag zou willen missen. Ik had graag willen horen wat de schilder en zijn model tegen elkaar gezegd hebben, en wat die twee van hun portret vonden. En dat iemand haar had kunnen vertellen dat ze lang na hun dood wereldberoemd zouden zijn. Wat is wereldberoemd, hadden ze misschien gevraagd. Ons wereldberoemd valt kinderen uit 1665 niet uit te leggen. Rest de beschouwer een poging te doen om zich te verdiepen in de geest van de schilder. Dat lukt ook niet. Straatarm is hij gestorven. Hij liet een weduwe met elf kinderen achter. Stelt u zich dat voor: u hebt een aantal van de wereldberoemdste schilderijen geschilderd, en dan de weduwe, enz.

De Vermeer-tentoonstelling is, behalve dit, ook een evenement. Tentoonstellingen als deze ontwikkelen zich altijd tot evenementen. Dat wil zeggen: je moet achteraan aansluiten, en dringen of geduld oefenen. Wie in geen van beide zin heeft, kan zich het entreegeld besparen. Het oude museum heeft behoefte aan een organisatiedeskundige die het kunstevenement ruimtelijk beheerst. Er moet een techniek te vinden zijn waardoor meer mensen op hetzelfde ogenblik naar een bepaald meesterwerk kunnen kijken. Een systeem van een soort rolbanen, zoals je die op vliegvelden hebt, maar dan drie of vier in een amphitheater-constructie, waarbij een zeker tempo bepaalt dat iedere bezoeker dezelfde rechtvaardige tijd tot zijn beschikking krijgt om te genieten. Daarmee worden individuele smaken miskend, maar dat doen Coca-Cola en MacDonald's per slot van rekening ook. Het massale bezoek dat zijn belevingshonger wil stillen, moet op het gebied van de kunst aan zijn eigen rechtvaardige trekken kunnen komen, en zijn eigen beperkingen leren kennen. Dat is de consequentie. Het raakt nauwer verwant aan een inrichting voor fast food. Daarmee zouden de organisatoren van het postmoderne museum rekening moeten houden.

Vermeer and the Delft School laat niet alleen de meesterwerken zien. Het is ook een encyclopedische tentoonstelling, met veel aandacht voor het tijdvak, de Nederlandse Gouden Eeuw en allerlei kleiner werk dat daarop een toelichting geeft. Zo kwam ik aan een donker hoekje waar een stukje grafiek van Gerbrand van den Eeckhout (1621-1674) hangt twintig bij twintig, groter zal het niet zijn. Het stelt een rokende puinhoop voor, omgevallen muren, desolaat. Op de voorgrond zit een kind in een kinderstoel. Een ongebruikelijk tafereel. Op een bordje staat de verklaring, zoals die gegeven is door Jan P. Schabaelje, een chroniqueur uit die tijd. Het blijkt dat op 12 oktober 1654 de kruitfabriek in Delft in de lucht is gevlogen. Meer dan 24 uur later werd dit kind levend aangetroffen. Het zat nog in zijn kinderstoel. En 36 uur later werd een oude man, ook levend, uit het puin bevrijd.

Voor wie gaat kijken: laatste zaal links, in de achterste linkerhoek. Tot 27 mei.