Nog weinig lijn in buitenlandbeleid regering-Bush

Onthaasting lijkt president Bush op het lijf geschreven. Dat komt de ene bezoeker beter uit dan de andere. Kim Dae-jung, president van Zuid-Korea, keerde nogal ontdaan terug van een bezoek aan Washington. Bush had, anders dan Clinton voor hem, Kims zonneschijnoffensief niet direct omarmd en zelfs publiekelijk uiting gegeven aan zijn twijfels over de betrouwbaarheid van Noord-Korea's president Kim Jong-il, met wie de zuidelijke Kim zo langzamerhand veelbelovende politieke en persoonlijke betrekkingen onderhoudt. Heel anders verliep de visite deze week van Israëls premier Ariel Sharon. Amerika staat achter het vredesproces, liet Bush zijn bezoeker weten, maar zal niets forceren. Sharon toonde zich een tevreden man.

Wie lijn probeert te ontdekken in de buitenlandse politiek van de nieuwe Amerikaanse regering heeft het niet eenvoudig. Afstandelijkheid wisselt af met een zekere diplomatieke hardhandigheid. Afstandelijkheid ten aanzien van de nogal revolutionaire ontwikkelingen sinds vorig jaar op het Koreaanse schiereiland passen misschien een zojuist aangetreden president. Maar de opmerkingen van Bush over de Noord-Koreaanse president waren onnodig provocerend en leidden dan ook tot een ouderwets vijandige reactie. Een gezien de niet aflatende geweldsexplosies begrijpelijke terughoudendheid ten aanzien van het Israëlisch-Palestijnse conflict zou worden gelogenstraft als de president, zoals Sharon te horen heeft gekregen, zijn verkiezingsbelofte inlost en de Amerikaanse ambassade van Tel Aviv naar Jeruzalem laat verhuizen, iets waarop de Israeliërs al jarenlang vlassen.

Het Bush-team opereert alsof de verkiezingscampagne nog niet is afgelopen. De nieuwe regering krijgt zo de schijn tegen zich dat afrekening met haar voorganger wat haar betreft komt voor het ontwikkelen van verder beleid. Minister van Buitenlandse Zaken Powell vergiste zich toen hij aan de vooravond van Kims bezoek verklaarde dat de regering-Bush in Korea zou aanknopen bij wat haar voorganger had achtergelaten. Een dag later moest de bewindsman dit inslikken en volgde de uitval van Bush tegen zijn Noord-Koreaanse ambtgenoot. Clinton had zich regelrecht laten betrekken in Kims zonneschijnoffensief hoewel hij op de valreep afzag van een bezoek aan Pyongyang. Zijn rechtstreekse bemoeienis tot nagenoeg zijn laatste dag in het Witte Huis met het Israëlisch-Palestijnse vredesproces sprak voor zichzelf. Bush maakt persoonlijk met dit alles korte metten.

Als pioniers treden getrouwen op als Rumsfeld en Wolfowitz, respectievelijk minister en onderminister van Defensie. Al in januari zegde Rumsfeld op een bijeenkomst in München de Europese bondgenoten de wacht aan over het Amerikaanse plan een ruimteschild tegen intercontinentale raketten te bouwen - en over hun hoofden heen ook Russen en Chinezen. Dwarsliggen maakt op de Amerikanen geen enkele indruk meer. Ook Clinton had met het schild geëxperimenteerd, maar hem ging het eerder om het zoeken van een uitweg uit een binnenlands politiek dilemma dan om een geloofsartikel. Uit nieuwe uitlatingen van Rumsfeld kan worden afgeleid dat het project steeds meer gaat lijken op wat Reagan in 1983 voor ogen stond toen hij zijn Star Wars lanceerde. Het antiraketraketverdrag dat de regering-Nixon in 1972 sloot met het Brezjnev-bewind stond in de jaren tachtig al ter discussie en kan nu op de schroothoop.

Bush straft Clinton af, in Korea, in het Midden-Oosten en waar het gaat om de Amerikaanse verdediging in de ruimte. Maar ook Clintons politiek ten aanzien van Rusland ligt onder vuur. Deze week kwalificeerde Rumsfeld Rusland als een ,,active proliferator'' en verklaarde Wolfowitz ,,deze mensen lijken bereid alles aan iedereen te verkopen voor geld''. De kwestie van Russische wapen- en nucleaire leveranties aan de `schurkenstaat' Iran is oud zeer in de betrekkingen tussen Amerika en Rusland. De regering-Clinton probeerde met overreding en compensatie Moskou van verkoop van gevoelig materiaal af te houden. Onduidelijk is gebleven in hoeverre zij daarin slaagde. Voor Bush is dat voldoende om de Russen op hun nummer te laten zetten – en en passant zijn voorganger. De uitzetting van diplomaten onder de beschuldiging van spionage complementeert dit beeld.

Ten slotte China, de enige mogendheid ter wereld waarin de VS nog een rivaal zien. De prognose is dat het Middenrijk in deze eeuw zich economisch en militair verder zal versterken en dat het, gezien zijn bevolkingsomvang, in staat moet worden geacht op den duur Noord-Amerika, Europa en Japan te overvleugelen. Ook Clinton maakte zich deze voorstelling van zaken eigen, maar zij stimuleerde hem China te bewegen een strategische partner te zijn. China's toetreding tot de Wereld Handels Organisatie (WTO) vormde de kroon op Clintons werk. De nieuwe regering heeft intussen voor een andere benadering gekozen: China is geen vijand en geen partner, maar een concurrent wiens belangen soms parallel lopen aan die van Amerika.

Met enige spanning werd uitgezien naar het bezoek van vice-premier Quian Qichen aan Washington deze week. Deze voormalige minister van Buitenlandse Zaken maakte eerst zijn opwachting bij minister Powell en vervolgens bij Bush zelf. De president heeft zijn gast verzocht China's leiders op het hart te binden dat de VS niet van plan zijn China uit te dagen. Deze toonzetting past bij eerdere flexibele Amerikaanse omschrijvingen van de wederzijdse betrekkingen. Maar de lakmoesproef voltrekt zich volgende maand wanneer de Amerikaanse regering een besluit neemt over wapenleveranties aan Taiwan. Dat de VS zich mede verantwoordelijk achten voor de veiligheid van het eiland staat buiten twijfel. Maar leverantie van het hoogwaardige radarsysteem Aegis zal China opvatten als een eerste stap naar een verdediging tegen Chinese raketten en die ontwikkeling is voor Peking onaanvaardbaar.

Bush zou zijn bezoeker hebben verzekerd dat het besluit hierover nog niet is gevallen. Op zichzelf zegt zo een mededeling weinig, zij versterkt het imago van een regering die geen haast maakt maar wel graag alle opties openhoudt. Mogelijk dat een Chinees gebaar van goodwill wordt verwacht op een ander terrein – de rechten van de mens, wapenexport. Dat zou betekenen dat de regering-Bush aan het geven en nemen is begonnen waarvan praktische politiek is gemaakt. Minder ideologisch dus dan een deel van de presidentiële achterban voor wenselijk houdt.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.