Mijn vader

Mijn vader, geboren in 1903, liep op Koninginnedag in 1949 mee met een lampionnenoptocht. In die tijd was dat nog op 31 augustus, de verjaardag van koningin Wilhelmina. De oma van Beatrix. Alle mensen die meeliepen, moesten zich verkleden. Maar zo, dat je ze niet herkende. De slager liep mee en de bakker en de man van het postkantoor, de mensen van de scheepswerffabriek en de man die de huizen in het dorp bouwde, dat was mijn vader. Hij zei: ,,Ik zet een grote zonnebril op, dan herkent niemand mij.' ,,Onzin', zei m'n moeder, ,,ze herkennen je aan je haar, omdat het altijd zo raar kort geknipt is.'

Daarom zou ze een hoge hoed voor hem maken. Geen gewone hoge, maar heel hoog. Wel 1 meter 25.

Van zwaar betongaas knipten ze met een tang een hoedmodel met een brede rand. Daarna verdwenen ze naar de gang. Mijn zusje die erg nieuwsgierig was, ging door de achterdeur naar buiten en liep zachtjes naar de voordeur. Ze keek stiekem door de brievenbus en zag in de gang mijn moeder op een stoel staan, en mijn vader op zijn knieën ervoor. Ze wikkelde meters oranje crèpepapier om het betongaas zodat de hoed meer op een kachelpijp leek. Mijn vader kreunde dat hij loodzwaar was, meer dan drie kilo op zijn hoofd.

's Avonds in het halfdonker zag je hem overal bovenuit torenen. Hij liep kaarsrecht met zijn lampion. Zijn kaken stonden helemaal stijf van het gewicht.