Marokkaanse pers mag meer - maar lang niet alles

Onder de jonge koning Mohammed VI leek de Marokkaanse pers veel grotere vrijheid te krijgen. Maar zij moet op haar tellen passen.

Geen land in het noorden van Afrika waar de persvrijheid zo groot is als in Marokko, zo wordt van regeringswege met gepaste tevredenheid vastgesteld. Maar het afgelopen weekeinde keek Marokko gespannen toe of de laatste editie van Le Journal Hebdomadaire, dat met een oplage van 30.000 stuks Marokko's best verkochte weekblad is, de kiosk zou halen. Het weekblad verdween eind vorig jaar samen met de Arabischtalige zusterpublicatie Assahifa en het weekblad Demain uit de schappen. Premier Abderrahmane Youssoufi had daartoe opdracht gegegeven na een reportage waarbij zijn naam viel als een mogelijke complotteur tegen wijlen koning Hassan. De bladen kwamen snel weer terug – onder een iets andere naam, maar verder ongewijzigd. Het publiek koopt de verboden weekbladen als nooit tevoren. ,,Merci Abderrahmane!'', zo bedankte Demain de premier paginabreed voor het verschijningsverbod.

Maar nu is het weer raak. Na een aanklacht van minister van Buitenlandse Zaken Mohammed Benaissa veroordeelde de Marokkaanse rechter de hoofdredacteur en de uitgever van Le Journal ieder tot een schadevergoeding van twee miljoen dirham (een kleine 500.000 gulden). Reden: een artikel waarin de minister ervan werd beschuldigd flink wat dollars in zijn zak te hebben gestoken bij een aankooptransactie van het ambassadegebouw in Washington. Een gevangenisstraf van drie maanden werd opgeschort wegens aangetekend beroep, de twee miljoen niet. Een week geleden verliep de uiterste betalingstermijn, maar de deurwaarder is nog niet verschenen.

,,Dat geld heb ik dus niet'', erkent Aboubakr Jamaï (33), hoofdredacteur van Marokko's succesvolle magazine en mede-eigenaar van de uitgever Media Trust. We zitten op de redactie, een modern ingerichte etage ingeklemd tussen het gebouw van de effectenbeurs en de haven van Casablanca. De organisatie Reporters sans Frontières heeft inmiddels een steunfonds opgezet om te zorgen dat de redactie er ook blijft.

Sinds het aantreden van koning Mohammed VI in 1999 waait er een nieuwe wind door de media. Er verschijnen artikelen die onder het bewind van zijn vader ondenkbaar waren geweest. Het geldt als een van de meest zichtbare tekenen dat het de nieuwe vorst ernst is met de democratische veranderingen in het land. Maar soms gaan die te ver. Zoals in het geval van Le Journal, een levendige publicatie in meerkleurendruk die naar vorm en inhoud verfrissend afsteekt in een medialandschap van volgzame partijkranten en officiële communiqués. Reden was de publicatie van een brief van een socialistische oudgediende waaruit zou blijken dat de huidige premier Youssoufi actief was betrokken bij de mislukte poging van generaal Oufkir om in 1972 koning Hassan te vermoorden. Een kwestie die nog steeds uiterst gevoelig ligt in Marokko.

Aboubakr Jamaï: ,,Het was een aanleiding. De werkelijke reden is een opeenvolging van publicaties.'' Zijn blad heeft de regering Youssoufi – een brede coalitie waarin een belangrijk deel van de vroegere oppositie tegen Hassan is vertegenwoordigd – inderdaad niet veel leesplezier bezorgd. Le Journal publiceerde een vraaggesprek met de leider van Polisario – de beweging die vanuit Algerije vecht voor onafhankelijkheid van de door Marokko geannexeerde Westelijke Sahara – die in Marokkaanse ogen niet minder is dan een oorlogsmisdadiger. Er verschenen foto's van mishandelingen in de Marokkaanse gevangenissen, een lijst met hoge militairen die zich schuldig hebben gemaakt aan martelpraktijken. Het kwam de hoofdredacteur te staan op scheldcommentaren in de partijpers en reprimandes van het gezag.

In een in zijn huis in Rabat georganiseerde bijeenkomst voor buitenlandse journalisten probeert premier Youssoufi (76) de indruk weg te nemen dat er een nieuwe persbreidel in aantocht is. ,,Ik, die mijn hele leven heb gestreden voor persvrijheid, besef de ernst van de maatregel'', onderstreept de premier vaderlijk glimlachend, terwijl thee en koekjes gul de ronde doen. ,,Het heeft me persoonlijk veel verdriet gedaan, maar het was noodzakelijk. Het gaat hier om een onverantwoordelijke redactionele lijn met zeer provocerende aanvallen op personen en instituten die uiteindelijk een destabiliserende invloed op het land hebben. In andere tijden zou dat zeer ernstige gevolgen hebben gehad. Nu wisten we al dat ze onder een andere titel zouden herverschijnen.''

Minister van Cultuur en Communicatie Mohammed Achaari drukte het eerder heel wat minder onomwonden uit. De Marokkaanse democratie is nog maar een teer kasplantje en er zijn zaken die maar beter ontzien kunnen worden om het proces van democratisering niet in gevaar te brengen. De koning, het leger en de islam zijn taboe. Wie dat niet respecteert brengt de regering in een onmogelijke situatie en kent de gevolgen.

Geconfronteerd met de beschuldiging dat hij de democratisering in gevaar brengt reageert hoofdredacteur Jamaï strijdvaardig. ,,Wie bepaalt de snelheid van de veranderingen? Als journalist heb ik maar één verantwoordelijkheid en dat is het afleveren van professioneel werk. En daar ben ik tot dusver zeer trots op. De democratisering is er alleen maar bij gebaat dat de mensen op basis daarvan hun eigen keuzes maken'', aldus Jamaï. Het is, zegt de hoofdredacteur, vooral een generatiekwestie. Het wordt tijd dat de oude garde in de grote partijen in Marokko het veld ruimt. De jeugdbewegingen zijn het eens met de openheid die Le Journal betracht.

Nog steeds heeft Jamaï groot vertrouwen in de koning, zo zegt hij desgevraagd. ,,Maar hij had de regering ervan moeten weerhouden ons te verbieden'', zegt hij. ,,Dit ondergraaft de kredietwaardigheid van de hervormingen.''