Leve de supermarkt

Pop-art werd aangedreven door de consumptiemaat- schappij. `Les années pop' is de ideale pop-arttentoon- stelling: de bezoeker kan zich ongans consumeren.

Op de roltrappen naar de zesde verdieping van het Centre Pompidou klinkt Out Of Time, het treiterig-opgewekte Rolling Stones-nummer waarmee de eendagsvlieg Chris Farlowe in 1966 nummer één werd in de Engelse hitparade. Heel toepasselijk, want wie tien stappen heeft gezet op de tentoonstelling Les années pop (`De Pop-jaren') waant zich op z'n minst buiten de eigen tijd. In een ronde zaal zijn de hoogtepunten van het design uit het ruimtetijdperk bijeengebracht. Een sexy badpak van Paco Rabanne (gemaakt van aluminium plaatjes), meubels in organische vormen, een draagbare platenspeler met afneembare boxen, een bolvormige televisie, telefoons in kronkelend plastic. En bij alles springen de felle, om niet te zeggen psychedelische kleuren je tegemoet, signaalrood, pimpelpaars, zilverwit, elektriserend blauw – terwijl uit futuristische luidsprekers muziek uit een vijfendertig jaar oude science-fictionserie klinkt. Het is alsof je terecht bent gekomen in de Swinging-Sixties-parodie Austin Powers: The Spy Who Shagged Me.

De ruimte met `design spatial' is maar één van de twaalf afdelingen van de Parijse monstertentoonstelling. Wandelend door de doolhof van zalen en gangen krijg je een multidisciplinair overzicht van de kunst van de jaren 1956-1968, toen in de Angelsaksische wereld de pop-art van Richard Hamilton en Andy Warhol regeerde en in Frankrijk het Nouveau Réalisme van Martial Raysse en Daniel Spoerri. Maar het blijft niet bij de usual suspects, die het dagelijks leven in de kunst lieten figureren en zo commentaar leverden op de massacultuur. Er zijn hoekjes met platenhoezen en tupperware, en met maquettes van architecten die bouwden alsof de kolonisatie van de maan aanstaande was; er staan vitrines met undergroundstrips tegenover televisieschermen met registraties van beroemde performances (de Bed-In van Lennon & Ono!); en er is overal muziek, van de Beatles tot Vladimir Ussachevski en van John Cage tot John Cale. Les années pop geeft de bezoeker het gevoel te winkelen in een supermarkt van jaren-zestigcultuur, waar alles, van hoog tot laag, door elkaar staat.

Dit is ongetwijfeld de bedoeling van de tentoonstellingsmakers. Want het was de supermarkt die voor vele, vooral Amerikaanse Pop-Artists gold als de belichaming van de consumptiemaatschappij die in de jaren vijftig ontstaan was. Daar vonden zij hun inspiratiebronnen: de in serie geschakelde dozen Heinz en blikjes Campbell's-soep waar Warhol zo dol op was, de spuitbussen van Roy Lichtenstein, de ijsjes en taartjes die de Zweedse Amerikaan Claes Oldenburg op gigantische schaal namaakte met canvas en gips. ,,Ik ben voor kunst die iets anders doet dan op zijn kont zitten in een museum' luidt een beroemde uitspraak van Oldenburg, die begin jaren zestig in zijn `Winkel' (c.q. galerie) in New York telkens nieuwe consumptieartikelen tentoonstelde. Gelukkig voor de liefhebber heeft hij de musealisering van zijn kunst niet tegen kunnen houden. The Store is voor Les années pop deels gereconstrueerd, met voorwerpen uit een dozijn musea: een letterlijke super-markt met in de aanbieding onder meer een reusachtige peen en een stuk chocoladetaart uit een Big Diet-wensdroom.

Buizenstelsels

Het Parijse Centre Pompidou, met zijn opvallende kleuren en zichtbare buizenstelsels zelf een erfenis van de popjaren, steekt zijn nek uit met deze tentoonstelling. Want ook al worden nog steeds exorbitante bedragen voor Lichtensteins en Warhols betaald (twee jaar geleden 18 miljoen dollar voor een Marilyn-zeefdruk), de pop-art lijkt de laatste jaren steeds minder populair te worden. De reacties op de laatste grote pop-arttentoonstelling, tien jaar geleden in de Londense Royal Academy, waren daarvan de voorbode. Bezoekers zeiden zich te vervelen bij de parade van collages, uitvergrote stripplaatjes en opgeblazen gebruiksvoorwerpen; en de recensente van het Cultureel Supplement kenschetste de pop-art zelfs als een grap die `tot op de bodem [was] uitgespeeld'. De slinger in de kunstbeschouwing had zich weer naar de andere kant bewogen, naar het abstracte expressionisme van Pollock en De Kooning waarop de figuratieve en maatschappijkritische pop-art ooit een reactie was geweest.

Het is natuurlijk niet eerlijk om de o zo invloedrijke Warhol en Lichtenstein te verwijten dat hun verwerking van het dagelijks leven tegenwoordig wel erg een truukje lijkt – dat doet denken aan de cultuurcriticus die een paar jaar geleden afgaf op Brancusi omdat zoveel beeldhouwers hem slecht imiteerden. Maar eerlijk gezegd dacht ik zelf ook uitgekeken te zijn op de eeuwige Marilyns en `I Know How You Must Feel, Brad'-s. Des te mooier is het dat in de constellatie van Les années pop zelfs de grijsgedraaide gouwe-ouwes weer nieuwe glans krijgen. Zo betrapte ik me erop dat ik voor het eerst sinds jaren getroffen werd door het As I Opened Fire-drieluik van Roy Lichtenstein (1964), waaraan ik in het Amsterdamse Stedelijk Museum bijna zonder kijken voorbijloop. Misschien omdat ik een paar zalen eerder het soort strips had gezien waarop het schilderij gebaseerd is; misschien doordat Lichtensteins stoere bommenwerpersromantiek zo'n mooi beeldrijm vormde met de elders opgehangen Lippenstift-Bomber B52, een combinatie van vliegtuigfoto en lippenstifthulzen waarmee Wolf Vostell in 1968 cynisch commentaar gaf op het `Make Love Not War' van het Vietnam-tijdperk.

Aan het leggen van dwarsverbanden ontleent de tentoonstelling haar bestaansrecht. De invloed van de Space Age – door het neerstorten van de Mir deze week weer actueel – zie je niet alleen in mode en vormgeving, maar ook in de schilderijcollages van Robert Rauschenberg en in de Michelin-mannetjesarchitectuur van Coop Himmelb(l)au. En wie kijkt er nog op van de collage op de Beatle-elpee Sgt. Peppers Lonely Hearts Club Band (1967)? Niet de experts van het Britse poptijdschrift Q, die deze maand de door Peter Blake en Jann Haworth ontworpen Beatle-plaat slechts een tiende plaats gunden in hun lijst van mooiste platenhoezen. Dat neemt niet weg dat je Sgt. Peppers weer met andere ogen bekijkt als je net de geschiedenis van de pop-collage voorbij bent gelopen, met als beginpunt Richard Hamiltons baanbrekende Just What is it That Makes Today's Homes so Different, so Appealing? (1956), dat door de knipogen naar het consumentisme en door het citeren van een vergrote strippagina geldt als de basis van de pop-art. Bovendien kun je Peter Blakes werk voor de Beatles mooi vergelijken met zijn oudere collages, zoals On the Balcony, waarop ook sportsterren, jeugdhelden en eerbiedwaardige beroemdheden de barrières tussen high and low culture slechten.

Soepblikkenjurk

Van alles kon kunst gemaakt worden in de popjaren. En niemand deed dat zo ijverig als Andy Warhol. Zijn `Factory', een fabriek van alle soorten cultuur in New York, heeft dan ook een aparte zaal gekregen; of liever drie met metallic grijs beklede gangen rondom een filmtheatertje waarin twee van Warhols ontstellend saaie films vertoond worden. ,,Pop-art gaat over leuke dingen', heeft Warhol ooit gezegd, en gelukkig zijn er daarvan in Parijs ook wat bijeengebracht. Een papieren jurk met soepblikkenopdruk bijvoorbeeld, eleganter dan je zou denken; en niet te vergeten de `fall-out' van het project waarvoor de muziekliefhebber hem tot in de eeuwigheid dankbaar zal zijn: `Andy Warhol's Exploding Plastic Inevitable' (`a melodious madness not witnessed since Nero and his fiddle and fire'). Van dit multimediaspektakel uit 1966-67, dat de bakermat was van de invloedrijke rockgroep The Velvet Underground, zien we foto's en een filmopname, waarbij de soundtrack wordt gevormd door Lou Reeds beroemde nummer Heroin. De film is erg experimenteel, met veel rode en zwarte kleurvlakken, maar geeft een sfeervol beeld van de onheilszwangere muziek en dans die in New York gefabriceerd werd terwijl elders in Amerika gezongen werd over goede vibraties en Californische dromen.

`Plastic' is een van de kernbegrippen op Les années pop. Het komt niet alleen terug in de titel van Warhols experimentele muziektheater, maar vooral in de vormgeving uit de jaren zestig. Kunstenaars waren gek van de na de Tweede Wereldoorlog grootscheeps op de markt gebrachte kunststoffen. `Het is strak, het is glad, het is mooi' luidt het motto (van Roland Topor) in de zaal die is gewijd aan de moderne meubels uit de jaren zestig: opblaasbare kuipstoelen, de golvende piepschuimfauteuil van Pierre Paulin (die aanvankelijk wegens zijn `aanstootgevende' vormen niet in produktie werd genomen), de ronde plastic lamp van Arthur Carrara. En toen Richard Hamilton in 1956 de elf belangrijkste kenmerken van de Pop-art formuleerde, moet hij de opvolger van het bakeliet voor ogen gehad hebben: `populair, provisorisch, vervangbaar, goedkoop, geproduceerd in serie, jong, grappig, sexy, ingenieus, spectaculair en zeer winstgevend.'

Zelfs in de zogeheten superarchitectuur van de jaren zestig (`de architectuur van de overproductie en overconsumptie, van de supermarkt en superbenzine') speelde plastic een belangrijke rol. Een groot aantal tekeningen en maquettes laat zien dat de progressieve architecten in het ruimtetijdperk nadachten over `inflatable environmental transformers' die de metropolen van de wereld nog leefbaarder moesten maken; terwijl het `Huis van de Toekomst' in Disneyland (1956) helemaal uit blank plastic was opgetrokken. Omdat architectuur op een tentoonstelling niet erg verleidelijk is, hebben de samenstellers tegenover alle voornamelijk ongebouwde plannen een televisieschermpje geplaatst met een scène uit Mon oncle van Jacques Tati: hoe de zuster en zwager van Monsieur Hulot per ongeluk door hun hondje worden opgesloten in de garage van hun ultramoderne droomhuis.

`Pop-art was de eerste toegankelijke stijl binnen het internationale modernisme', schrijft de kunstcriticus Robert Hughes in zijn standaardwerk Amerika's visioenen; `het was kunst over consumptie die erom smeekte te worden geconsumeerd.' In dit licht is Les années pop de ideale Pop-arttentoonstelling: de bezoeker kan zich ongans consumeren. Wie alle tweehonderd kunstwerken en driehonderd andere voorwerpen in zich op wil nemen, is al gauw een uur of vijf bezig. En dan is er nog de catalogus, die nog drie keer zoveel biedt als de tentoonstelling. Het felroze boekwerk, dat zich op een verfrissende manier onthoudt van oeverloos analyseren, geeft van jaar tot jaar een beeldoverzicht van de belangrijkste cultuuruitingen – van een bladzijde uit het manuscript van Jack Kerouacs On the Road (1956) tot en met een still uit Zabriskie Point (1970), de Amerikaanse Antonioni-film die eindigt met een spectaculaire ontploffing en daarom door de tentoonstellingsmakers als het symbolische einde van de Pop-art wordt gezien. Helemaal ten einde is de Pop-art trouwens niet gekomen, want hoewel Jeff Koons anno 2001 weinig van zich laat horen, worden de stadsautootjes steeds ronder (Twingo, Smart), stikt het (vooral in Frankrijk) van de popgroepen die zich specialiseren in futuristische dansmuziek, en grijpt Paco Rabanne in zijn nieuwe wintercollectie terug op plastic jurken en aluminium truitjes.

Gemor

In de Franse media heeft Les années pop nogal wat gemor veroorzaakt. Vooral de enorme reikwijdte van de expositie – die onder meer ook zalen heeft vrijgemaakt voor de Franse Pop-realisten (Arman, Christo, Niki de Saint-Phalle), de Duitse `kapitalistisch-realisten' (Gerhard Richter, Sigmar Polke) en verwante stromingen als Fluxus en Junk-art – stuitte op bezwaren. Het is te veel, vond de Libération. `Om een beweging, een groep of een tijdperk te begrijpen, is een expositie rondom één kunstenaar beter. Het rondstrooien van tentoonstellingsobjecten vertroebelt het zicht op het grotere geheel.'

In het geval van de pop-art is dat een denkfout. In een collage breng je ook zo veel mogelijk verschillende elementen bij elkaar. Het mooie van Les années pop is dat de jaren zestig er gepresenteerd worden als een Gesamtkunstwerk, waarvan de beeldende kunst slechts een onderdeel was. Om in de beeldspraak van de pop-art te blijven: de schappen van de supermarkt puilen uit, en ja, het mag best een onsje meer zijn.

`Les années pop'. T/m 18 juni. Paris, Centre Pompidou (Beaubourg). Cat. 420 franc. Het tijdschrift Beaux Arts heeft een mooie mini-catalogus uitgebracht voor 60 franc.