Hoe de gevestigde orde omver te praten

Subcomandante Marcos, leider van de opstandige indianen in Mexico, wordt ook in het westen gevierd als een held van de nieuwe protestcultuur. Maar wat wil de subcommandant eigenlijk? Een bloemlezing van zijn geschriften toont dat er achter het masker vooral een verleider schuilgaat, die weet dat hij het van zijn woorden moet hebben.

,,Ik ga de revolutie maken. Strijden tegen alles wat jij vertegenwoordigt.' Dat zei de toen 27-jarige docent filosofie Sebastián Guillén (signalement: 1,75 meter, blanke huid, arendsneus, kastanjebruin haar en bruine ogen) in 1984 tegen een van zijn collega's aan de Autonome Universiteit van Mexico. Het zou tien jaar duren voordat de arendsneus weer verscheen, aan het hoofd van de groep indiaanse rebellen in het stadje San Cristóbal de las Casas in de staat Chiapas, een van de plaatsen die het Ejército Zapatista de Liberación Nacional (EZLN), vernoemd naar de legendarische revolutionair Emiliano Zapata (1879-1919), had ingenomen.

Meer dan `de grote witte neus' en een pijp kreeg men die nieuwjaarsdag niet te zien – en ook later niet – van de man die zich als `subcomandante Marcos' aan de wereldpers voorstelde, vanachter een bivakmuts. Die muts maakt het eenvoudig te spreken namens zijn hele gemeenschap, zeker voor een niet-indiaan. Het inmiddels zes jaar oude door de Mexicaanse regering verspreide bericht dat achter het masker de filosoof Sebastién Guillén schuilgaat, is dan ook nooit bevestigd.

Charismatische rebel

De ondercommandant werd dadelijk de favoriet van de internationale media, die sinds Che Guevara niet meer zo'n charismatische rebel hadden gezien. Dat eigentijdse charisma uit zich in humoristische terzijdes in zijn communiqués (soms `met de groeten van Sup Speedy González, yepa, yepa'). Van Marcos, die eerder een kinderboek en een kortere verzameling teksten publiceerde, is nu een lijvig, veelomvattend werk verschenen: Our word is our weapon, meer dan vierhonderd bladzijden pamfletten, brieven en verhalen.

Daaruit blijkt dat de gewapende actie van het kleine EZLN-leger begin 1994 achteraf gezien vooral een publiciteitsstunt was, de kortste weg naar de voorpagina's. Na zijn spectaculaire opkomst begon Marcos met het grote verleiden. En een filosoof verleidt met woorden. De verbale begaafdheid van de ondercommandant – in zijn literaire verwijzingen beweegt hij zich tussen Lewis Caroll, Pablo Neruda, Jorge Luis Borges en Paul Éluard – is de grootste kracht van de beweging.

Over zijn afkomst vertelt hij niet meer dan dat hij (opnieuw) geboren werd in Lacondon Jungle in de staat Chiapas in augustus 1984. De stadsrevolutionair (en toen nog marxist) strompelde achter een local aan. `Ik dacht dat ik het slechtste besluit uit mijn leven had genomen [...] dat het voor mij het beste zou zijn om terug te gaan en de revolutie voor zichzelf te laten zorgen. [...] Ik gebruikte mijn .20 kaliber geweer meer als een wandelstok dat als een wapen en trok mijzelf zo goed en zo kwaad als het ging naar boven.' Daar, boven op de berg in de jungle, geschiedde het wonder. De zonsopgang gaf de aanstaande ondercommandant het inzicht dat hij wel degelijk het juiste besluit had genomen. `Dit is wat wij zijn: gevallen sterren die nauwelijks de hemel van de geschiedenis raken met een krabbertje.'

Een klein decennium na die moeizame wandeltocht werd Marcos' geweer dus wel voor zijn oorspronkelijke doel gebruikt, bij mogelijk de best georkestreerde opkomst van een guerrillabeweging uit de moderne geschiedenis. Eentje die de erfenis van de helden Villa en Zapata claimde alsmede rechten voor de indianen. De afgelopen maanden haalden de zapatistas de voorpagina's met een mars op Mexico-Stad en onderhandelingen met de nieuwe president Fox. Alweer een publicitair succes, maar een dat geen direct politiek resultaat opleverde.

Deze mars, de `zapatour', is de aanleiding voor de publicatie van Our word is our weapon, waarvan het grootste deel al eerder via internet (en in het Spaans) werd verspreid. De zapatista-ideologie komt neer op een weinig opzienbarend pleidooi vóór vrijheid en gelijkheid en tégen onderdrukking, discriminatie en het neoliberalisme (`een gewelddadige supermarkt'). Maar de teksten van Marcos zijn frivool: zijn statements gaan vergezeld van grapjes, verhalen, observaties over de tijd, de zon, de maan en de stilte of een klein-menselijk verslag hoe een kind een zakje snoep steelt.

De ondercommandant met het masker heeft zichzelf zo naar een ideaalbeeld geschapen: een intelligente, mysterieuze man die met een plankje van zijn favoriete boeken naar het oerwoud is getogen, altijd een moment voor de kinderen over heeft, maar die naast die softe deugden ook een harde, viriele, kant heeft: uniform, masker, pijp en geweer.

Dat bleek onweerstaanbaar, zeker in combinatie met zijn inhoudelijke boodschap, die een even nadrukkelijk tweesporenbeleid verraadt: hij eist, naar de oude Mexicaans-revolutionaire leus tierra y libertad, land en vrijheid voor de indianen, die al meer dan 500 jaar strijden tegen blanke overheersing. Maar meer in het algemeen – en toegesneden op de gevoelens van zijn internationale fans die protesteren tegen de macht van het IMF, de Wereldbank en andere `agenten' van de globalisering – heeft hij het gemunt op de macht van het geld, die iedere vorm van verscheidenheid en daarmee menselijkheid uit de wereld probeert te bannen. Zijn teksten bevatten bovendien zoveel oerwoudromantiek en observaties bij zonsopgang dat velen met halfreligieuze wensgedachten bij hem terecht kunnen.

Icoon

Zo werd Marcos een icoon van een wereldwijde protestbeweging en zijn `eerste postmoderne revolutie' (volgens het nawoord bij de bloemlezing) de wensdroom van sinds de dood van het marxisme vereenzaamde fellow-travelers. Op de onderwerpen waarin de vroegere Latijns-Amerikaanse guerrilla-bewegingen zich slecht verdroegen met de verlichte opvattingen van hun westerse sympathisanten (machismo, homoseksualiteit) nemen de zapatistas bovendien vriendelijke standpunten in. Marcos steekt graag de draak met anderen, ook met mogelijke bondgenoten. Als weerlegging van de suggestie dat zijn beweging getraind zou zijn door de sandinisten in het naburige Nicaragua schrijft hij, dat hij dan waarschijnlijk alle critici uit zijn beweging gegooid zou hebben en bij een gelijksoortige suggestie aangaande Rusland merkt hij op: `Dan hadden we Tsjetstenië al gebombardeerd – pardon, Guadelupe Tepeyac.'

Marcos is ook, kenmerkend voor zijn media-bewustheid, voorzichtig in het kiezen van zijn allianties. Hij sluit zich aan bij de campagne voor gratie voor de tot levenslang veroordeelde Noordamerikaanse indiaan Leonard Peltier en bij de demonstraties tegen de Navo-bombardementen tijdens de Kosovo-crisis, maar waakt ervoor Slobodan Miloševic in dat laatste conflict ook maar half gelijk te geven. Die mondiale bemoeienissen passen ook in een tactiek zich met zo veel mogelijk (vermeende) gelijkgestemden te verbinden: Marcos richt zich tot tal van intellectuelen en politieke bewegingen, in de hoop dat er iets ontstaat als `een over de wereld gespannen octopus' die iedereen verbindt aan de hand van termen als `menselijkheid' en civil society. En die Marcos zeker verbindt met verklaarde fans als Naomi Klein, auteur van No Logo, de handbijbel van de anti-globaliseringsbeweging.

In de eerste twee delen van Our word is our weapon staan vooral politieke teksten; de schrijver Marcos treedt het nadrukkelijkst op de voorgrond in het derde deel van het boek, met voornamelijk fabels en verhaaltjes. Die staan veelal in dienst van de politieke zaak, wat leidt tot revolutionaire edelkitsch. Een quasi-filosofisch verhaal over `One Time' en `Another Time' in de rijken `Always' en `Never', bevat zinnen als `But time and again, One Time and Another Time bothered Always and Never', die de vraag opwerpen hoeveel meligheid een revolutie kan verdragen voordat ze verkruimelt.

Literaire faam

Maar in de doorbabbelende postscriptums bij zijn communiqués maakt Marcos zijn literaire faam wel degelijk waar. Bijvoorbeeld in het verhaal van het jongetje in het zapatista-kamp dat het grootste onrecht van de wereld zag in snoep dat werd gevangengehouden door verpakkingspapiertjes. En in het verhaal waarin de ondercommandant een ander, tweejarig, jongetje probeert uit te leggen over de liefde van een man voor een vrouw, maar hopeloos strandt in een uiteenzetting over de beste manier om een overhemd dicht te knopen. Daarin verpakt hij prompt een luchtige politieke aanwijzing; altijd onderaan, aan de basis beginnen, anders mis je misschien een knoop.

In het laatste deel verschijnen ook twee (vermoedelijk) fictieve karakters ten tonele: de goedgehumeurde kever Durito, die een wereldwijde studie maakt van het neoliberalisme en de wereld rondreist (`I could see the canals and 400 bridges that lift Amsterdam above its ninety islands.'). De andere terugkerende figuur is de oude indiaan Don Antonio, van wie Marcos zegt zijn wijsheden geleerd te hebben. Die nam hem op een nacht mee het oerwoud in om hem uit te leggen dat de goden mensen met kleine bruine lichamen (en zwarte maskers) hadden geschapen om in de nacht `the wicked and the bad' op te sporen. Aan het einde van de nacht komen Don Antonio en Marcos weer terug in het kamp, waar de echtgenote van Don Antonio vraagt, waarschijnlijk voor de zoveelste keer: ,,En, zijn ze verschenen?' En na het ontkennende antwoord van haar echtgenoot: ,,Dan moeten we maar blijven zoeken.' ,,Ja, we moeten blijven zoeken', besluit Don Antonio.

Waarmee de ondercommandant terugkeert bij de man met wiens woorden het boek 450 bladzijden eerder al is begonnen: de dolende ridder Don Quichot.

Subcomandante insurgente Marcos: Our word is our weapon. Selected writings. Samengesteld door Juana Ponce de León. Met een voorwoord door José Saramago. Serpent's Tail, 456 blz. ƒ83,40 (geb.)