Een vlammende zelfmoordmachine

`In de interactieve installatie helpt de computer de gebruikers de grenzen van hun ervaringsdomein te overschrijden en te verleggen. [...] De wereld wordt complexer, menigvuldiger. [...] Er ontstaat een vermoeden van een schat die gevonden kan worden, een inzicht, de overkant van de rivier. De belofte van een diepe rijkdom, die niet in de spelers zit en evenmin in de computer, maar tussen hen in zal ontstaan. Vanwege die belofte worden mensen verliefd op hun machines. Daarom is technokunst kunst'. Aldus de schrijvers van het Boek voor de elektronische kunst, Arjen Mulder en Maaike Post. De elektronische kunst maakt volgens hen een herinterpretatie van het klassieke kunstbegrip noodzakelijk.

Dit boek is een ware pioniersonderneming waarin Mulder en Post de elektronische kunst van de afgelopen 25 jaar in kaart proberen te brengen. Zij schreven vijf essays over de geschiedenis van de machine- en computerkunst, tot aan de hedendaagse digitale `netwerk-kunst' toe. Daarnaast bevat het boek een verslag in foto's en documenten van de experimenten die sinds de oprichting in 1981 bij V2-ORGANISATIE, Instituut voor de Instabiele Media (eerst in Den Bosch, later in Rotterdam) hebben plaatsgevonden. En er zijn dertien interviews opgenomen met vertegenwoordigers van de elektronische kunst, zoals Dick Raaijmakers, elektronische muziek- en theatermaker van het eerste uur; Peter Weibel, videokunstenaar en directeur van het bekende Zentrum für Kunst und Medientechnologie in Karlsruhe; en kunstenaars als Stelarc, die zijn lichaam via aan hem bevestigde machines door anderen laat bespelen, en Erik Hobijn, die onder meer een vlammende zelfmoord-machine ontwierp.

Idealisme

Kenmerkend voor de `instabiele kunst' is het vluchtige en immateriële karakter. `Eeuwenlang hebben mensen zich gespiegeld in hun stabiele beelden. Maar aan het einde van de 20ste eeuw ontstaan er instabiele kunstwerken waarin de verdrongen vluchtigheid van de wereld in haar eenmaligheid wordt gevierd, als feest', aldus de auteurs. In de instabiele kunst kan de Homo Ludens zoals beschreven door Johan Huizinga zich volgens hen eindelijk waarmaken.

Alle sleutelbegrippen waarmee de kunst sinds eeuwen worden gedefinieerd worden door de `technokunst' onderuitgehaald, aldus Peter Weibel: `Technokunst biedt in plaats van onveranderlijkheid dynamiek, in plaats van Zijn proces, in plaats van absoluut relatief en in plaats van algemeen specifiek. In plaats van origineel technische reproduceerbaarheid [...]; in plaats van auteur collectief; in plaats van waarheid plausibiliteit en virtualiteit; in plaats van ding medium [...], in plaats van materiaal immaterialiteit, in plaats van realiteit fictie.'

Er spreekt een groot idealisme uit dit boek, dat af en toe leest als een vroeg 20ste eeuws Constructivistisch manifest. Dit is niet toevallig, want de theoretici van de elektronische kunst spiegelen zich aan de vroege avantgarde die het immers ook te doen was om nieuwe communicatiestructuren, om een nieuwe inhoud middels een materiële revolutie tot stand te brengen. Soms slaat dit idealisme door in een naïef enthousiasme dat doet denken aan Singers Naaimasjien van Paul van Ostayen. Dit neemt niet weg dat de elektronische kunstenaars het voortouw hebben genomen bij de bevrijding van de beeldende kunst uit de verstarde, achterhaalde, verkruimelende structuren van de kunstwereld waar alles draait om de macht van de museumdirecteur en de materiële, commerciële waarde van het kunstobject. Deze kunstenaars werken aan een broodnodig alternatief voor een zo langzamerhand achterhaalde tentoonstellingspraktijk.

Terecht heet dit aanstekelijke boek dus een boek voor de elektronische kunst. De interviews zijn helder, en waardevol als tegenwicht tegen de hier en daar hoogdravende toon van de essays. Het getuigt daarbij van een gezond relativeringsvermogen dat de tekst afsluit met een interview met Seji Shimoda (1953). Shimoda doet performances waarbij hij bijvoorbeeld een vertraagde, 25 minuten durende koprol uitvoert over en onder een lage tafel door, een exercitie die het uiterste vergt van spierbeheersing.

Raar werkje

Shimoda is zodoende de tegenpool van Stelarc; high tech-middelen gebruikt hij minimaal. Hij `gelooft niet dat techniek meer ideeën bevat dan we al hebben. Natuurlijk maakt het ons leven comfortabel en gemakkelijk, maar tegelijkertijd verliezen we er iets door.' Op de vraag wat we verliezen antwoordt Shimoda: `Een zekere inhoud. Ik was de afgelopen dagen zo druk in de weer met mijn computer, dat ik daarna dringend behoefte had aan een of ander raar werkje. Gisteren heb ik de heesters in mijn tuin gesnoeid en vandaag heb ik een tijd lang naar wilde watervogels zitten kijken bij de rivier hier in de buurt. Toen vond ik de betekenis van mijn werk terug. Van zo'n ervaring herstel ik, niet van techniek.

Arjen Mulder en Maaike Post: Boek voor de elektronische kunst. De Balie/V2-Organisatie, 184 blz. ƒ49,50

    • Janneke Wesseling