Dood en verderf in de Ardennen

In de helse winter van 1942-1943 ging het 6de Duitse leger bij Stalingrad tenonder. De troepenmacht wist de Russische stad niet te ontzetten. Honderdvijftigduizend Duitse soldaten vonden de dood. Inmiddels is het een feit uit het geschiedenisboek geworden. De winterse tragedie is onvoorstelbaar.

Er is een andere gebeurtenis uit de Tweede Wereldoorlog, zich ook afspelend in de winterkou: het Ardennenoffensief. In september 1944 beseft Hitler dat deze bergachtige, dichtbegroeide landstreek een voortreffelijke kans op een doorbraak biedt voor de Duitse legers naar het westfront. In deze bossen kan het bijna verslagen Duitse leger zich uiteindelijk rehabiliteren en de Amerikanen verslaan.

De Noorse auteur Roy Jacobson (1954) schrijft halverwege zijn zevende, pas in het Nederlands vertaalde roman: `Hitlers gezicht is asgrauw, hij is min of meer apathisch.' Hitler is aanwezig bij een briefing, waar duidelijk wordt dat het oostfront instort. De Russen staan in Polen en komen dichterbij. Hitlers macht taant. Hij tuurt naar de militaire kaart. Jacobson vervolgt: `Hitler stijgt op uit zijn grauwe winterslaap, heft zijn hand op en roept: ,,Stop!' Laat een paar seconden voorbijgaan en verklaart dan: ,,Ik heb op dit moment mijn besluit genomen! Ik ga in de aanval. Hier, door de Ardennen, via de Maas naar Antwerpen!'

Op 16 december 1944 komt de aanval. Jacobson besluit deze korte, beeldend geschreven uiteenzetting met: `En geen enkele beroepsmilitair of historicus, geen enkele betrokkene, geen enkel familielid of lid van het nageslacht zal ooit begrijpen waar dit goed voor is. Ze hebben geen fantasie. Ze kennen de Ardennen niet.'

In zijn roman speelt Jacobson op virtuoze manier met het begrip `grens'. Hij weet op overtuigende wijze historisch feit en fictie, de alomvattende grote geschiedenis en de daarvan afhankelijke, kleinere lotgevallen van het individu met elkaar te verbinden. Zijn obsessie met de Ardennen, dit `groene kussen', heeft een autobiografische aanleiding. Zijn vrouw is afkomstig uit de omgeving van Luik en haar vader werd in de oorlog naar het Oostfront gestuurd, waar hij deserteerde. Zijn broer overleefde Stalingrad.

Op onverwachte ogenblikken treedt Jacobson met een minimale autobiografische hint aan het vertellersfront. Zo noteert hij over zijn werkwijze: `Af en toe neemt God mij tussen duim en wijsvinger en tilt me naar de hemel, zodat ik de aarde kan zien zoals de vogels dat doen, of de bommenwerpers.'

Alle personages in het boek zijn grensgevallen. Hoofdpersonage Léon, soldaat, is een Duitse Luxemburger; de geheimzinnige uitvinder Markus een Belgische Luxemburger en de Amerikaanse krijgsgevangene Robert gaat een intense verhouding aan met de Luxemburgse Agnes, ze krijgt zelfs een zoon van hem, zodat hij met recht een Amerikaanse Luxemburger genoemd kan worden. Deze ongewisse persoonlijkheid van bewoners van grensgebieden, of, op metaforisch niveau, van mensen die ergens in hun leven verdoold zijn geraakt tussen twee uitersten, maakt Grenzen tot een symbolische roman. Een grens, houdt Jacobson de lezer voor, bezit een dubieus bestaansrecht, bepaald door toevalligheden, schermutselingen, duistere afspraken.

Jacobson veroorlooft zich uitweidingen, waarin het aldoor draait om de waarheid van de geschiedenis. Hoe fictief is, na zoveel jaren, de slag om Stalingrad? Hoe ontstaat geschiedenis, welke wet zorgt ervoor dat een samenstel van gebeurtenissen opeens `geschiedenis' heet? Juist daarom is het relaas van een eenvoudige bakker, die opeens komt opduiken, zo schitterend. Net als Markus overleeft deze Stalingrad. Aanvankelijk besluit hij over de verschrikkingen te zwijgen. Nadat een historicus hem zijn oral history heeft ontfutseld, besluit hij nog eens uit de wereldoorlog te voorschijn te komen en honderduit te gaan verhalen. Hij bezit immers het recht daartoe. Maar tijdens een pastoraal feest krijgt hij te horen: `Wat was dat nou, Stalingrad, en waar ging die oorlog over?' Hij besluit weer de man te worden die hij het liefst wil zijn. Een met verzegelde lippen. De oorlog is ver weg en voorbij.

Het is de kracht van Jacobsons epische vertelkunst dat hij in de grote oorlogsgeschiedenis de kleine menselijke weet te vangen. Hij verliest zich nooit in alle granaatexplosies, oorverdovende tankdoorbraken en kogelregens. Eerder gaat het hem om een gestolen brood, een eenzaam oud vrouwtje temidden van dodelijke gevechtshandelingen. In het genre oorlogsboeken is de hybridische vorm die Jacobson kiest – historie, parabel, historische analyse, menselijk verhaal – uniek. Dat komt in allereerste plaats door het beeld van de `grens' dat de roman domineert. Bestaan grenzen wel? En hoe kan oorlogsgeschiedenis zich voltrekken als grenzen leugens zijn?

Oorlogsverhaal en filosofie gaan hand in hand. De roman opent met de aanschouwelijke parabel van een molenaar uit 1893 die over de Our, betwiste grensrivier tussen Luxemburg en Duitsland, een brug wil slaan. De autoriteiten geven geen toestemming. Ondertussen heeft hij zijn brug al gebouwd. Een controlerend boswachter stelt: `Er is geen brug.' Die constructie van palen en touwen kan hij geen brug noemen. Toch maakt de molenaar er gebruik van om aan de overzij te komen. Bijna een halve eeuw later, en bijna honderdvijftig bladzijden verder, heeft de piloot van een Amerikaanse bommenwerper de taak alle bruggen te treffen. De een na de ander raakt hij met een voltreffer. Opeens ontwaart hij dat smalle, iele molenaarsbruggetje. Nee, oordeelt hij, het is geen brug.

Toch blijft de aarzeling aan hem knagen. Heeft hij een brug gemist? Dit bruggetje zal later de Amerikaanse troepen helpen Duitsland binnen te vallen. Fraaier kan de ongewisheid van grenzen en grensbruggen niet verwoord worden. En daardoor de oorlog als een strijd met een futiele aanleiding, en tragische gevolgen.

In zijn roman Grenzen heeft Roy Jacobson in elk geval een zeldzame poging ondernomen een begrip als `grensoverschrijding' een ongemene lading te geven. Voor de lezer van na de oorlog zal de Ardennen met zijn nu voorgoed geboekstaafde offensief nooit meer het schuldeloze `groene kussen` zijn. Het is het land van Hitlers gruwelijke fantasie, die niemand ooit kon begrijpen.

Roy Jacobson: Grenzen. Uit het Noors vertaald door Paula Stevens. De Prom, 319 blz. ƒ49,90