De snor, de bleekheid en de dood

Morgen is het 25 jaar geleden dat de militairen de macht grepen in Argentinië. De periode staat in Nederland in de belangstelling dankzij Máxima Zorreguieta, en is onderwerp van een nu al veelbesproken boek over dictator Videla. Aan Zorreguieta wordt daarin precies één zin besteed. Maar waar gaat de rest van het boek over? De vergeten context van een vuile oorlog.

Aan de vooravond van de 25ste verjaardag van zijn staatsgreep is Jorge Rafael Videla een 75-jarige ex-militair, ontdaan van zijn rang, zonder eigen pensioen en in afwachting van een proces wegens grootschalige kinderroof tijdens het bewind waaraan hij leiding gaf. Hij slijt zijn dagen in huisarrest in een kleine flat in Buenos Aires. Daar houdt hij zijn conditie op peil door te rennen op een lopende band. Volgens de reclassering is hij een model-thuisgevangene. Om er zeker van te zijn dat hij de bepalingen van zijn detentie niet overtreedt, houdt hij een marge aan van een paar centimeter voor de huisdeur, zegt zijn zoon Jorge Horacio. ,,Over die denkbeeldige streep zal hij nooit gaan.' Zijn gevangenschap draagt hij met opgeheven hoofd, verontwaardigd niet over het onrecht dat hem, Jorge Videla, wordt aangedaan, maar over het onrecht dat in zijn persoon het Argentijnse leger als instituut wordt aangedaan.

In de kleine flat in de wijk Belgrano, aan de Cabildostraat nummer 639, vijfde verdieping, appartement A, begint en eindigt El Dictador (De Dictator), de ongeautoriseerde biografie van de man die tussen 1976 en 1981 Argentinië regeerde met een `vuile oorlog' die aan vele duizenden Argentijnen het leven heeft gekost. De biografie mag zich in Nederland, meedrijvend op de golf van belangstelling voor Máxima Zorreguieta, verheugen in een voorpubliciteit die ongekend is voor een boek dat voorlopig alleen in het Spaans is uitgekomen. Maar El Dictador gaat nadrukkelijk niet over Jorge Zorreguieta. Het gaat over Jorge Rafael Videla, de man die morgen 25 jaar geleden aan het hoofd van een driekoppige militaire junta de macht greep in Argentinië om er zijn `Proces van Nationale Reorganisatie' te vestigen.

Onderzoeksproject

El Dictador is de weerslag van een omvangrijk journalistiek onderzoeksproject. De auteurs, María Seoane en Vicente Muleiro, beiden werkzaam bij Clarín, de grootste krant van Argentinië, zijn vier jaar bezig geweest met hun onderzoek. Ze werden bijgestaan door een groot aantal medewerkers, onder wie Guido Braslavsky, die tekent voor drie, in totaal tien uur durende, vraaggesprekken met Videla zelf. Die wilde niet tussen aanhalingstekens worden geciteerd; de gebruikelijke manier om letterlijke uitspraken in een vraaggesprek weer te geven. De auteurs zijn aan Videla's eis tegemoetgekomen, maar wilden wel gebruik kunnen maken van zijn citaten. In de biografie zijn al zijn uitspraken, ook die uit de interviews, daarom cursief geplaatst.

Behalve de oud-dictator zelf zijn meer dan honderd zegslieden geraadpleegd, van wie er ruim tachtig met name worden genoemd in een apart register. Hoge oud-militairen, familieleden, vrienden, oud-klasgenoten en slachtoffers van Videla komen aan het woord. Seoane en Muleiro hebben tevens ruimschoots gebruik gemaakt van geschreven documentatie, inclusief tot voor kort geheime Amerikaanse documenten, waaronder berichten van de ambassadeurs in Buenos Aires ten tijde van de opeenvolgende militaire junta's (1976-1983) aan het State Department in Washington. In de bijlagen van het in totaal 640 pagina's tellende boek zijn sommige documenten in facsimile afgedrukt. Het karakter van naslagwerk voor de periode van de militaire dictatuur wordt verder versterkt door het gebruik van tabellen en lijstjes van uiteenlopende zaken als economische gegevens over de betrokken periode, de complete samenstelling van de vier opeenvolgende militaire junta's en hun kabinetten, een organogram van de strijdkrachten, aantallen slachtoffers volgens verschillende bronnen en uittreksels uit het requisitoir en vonnis in het proces tegen de junta's.

Toch is El Dictador niet in eerste instantie een encyclopedisch naslagwerk geworden; daarvoor is het weer te incompleet en ook te weinig objectief van toon. Het thema van het boek is niet zozeer de dictatuur, als wel de dictator, of zoals de ondertitel luidt: `de geheime en openbare geschiedenis van Jorge Rafael Videla'. De grote kracht van het boek ligt in het beschrijven van de dualiteit van Videla, van diens regime en van Argentinië ten tijde van de opeenvolgende junta's. Seoane en Muleiro maken duidelijk hoe de clandestiene operaties van de strijdkrachten, de ontvoeringen, de concentratiekampen en uiteindelijk de verdwijning van duizenden meer of minder actieve, vooral linkse en jonge Argentijnen, onlosmakelijk verbonden zijn aan het sociaal en economisch `orde op zaken stellen' in de maatschappelijke chaos.

Onmenselijke prijs

Zo groot was die chaos aan de vooravond van de staatsgreep, dat een zucht van verlichting door de bevolking ging toen de tanks eenmaal rolden. Ook in het buitenland werd opgelucht gereageerd op het ingrijpen door de strijdkrachten. Dat duurde tot het moment dat berichten uit de Argentijnse Nacht und Nebel begonnen door te sijpelen en de onmenselijke prijs van de coup duidelijk werd. Uit El Dictador blijkt, dat geen sprake is geweest van een uit de hand gelopen veiligheidsoperatie, of van een lange en moeizame strijd tegen de guerrilla. Bij het uitroeien van de oppositie zijn Videla en zijn mede-putchisten uitgegaan van een lang voorbereid draaiboek, waarin de `vuile oorlog' al een centrale rol speelde. De `in elke oorlog onvermijdelijke excessen', het argument waarmee vooral de voormalige burgerministers van het regime de verdwijningen trachten te vergoelijken, waren in werkelijkheid nauwkeurig geplande en systematisch uitgevoerde, illegale operaties van het veiligheidsapparaat.

In de Argentijnse schemersamenleving van die jaren was dictator Videla general de la noche y presidente diurno – generaal van de nacht en president van de dag. De eerste gaf in deze terreurstaat leiding aan de clandestiene operaties tegen `subversieven', de tweede was het boegbeeld van een regering die met een ultraliberaal economisch beleid een abrupt einde maakte aan de corporatistische welvaartsstaat zoals die door generaal Juan Perón in de jaren vijftig was gemodelleerd en onder diens tweede echtgenote, Isabel, was verzand in een tot op het bot gepolariseerde samenleving. Videla was de spin in het web. Het was niet moeilijk voor me, zo wordt de dictator – cursief – geciteerd over zijn macht en verantwoordelijkheden. Er was geen verlies van controle, zegt hij. Hij wist alles.

El ejército, het Argentijnse leger, vormt de rode draad door het leven van Videla, en, naast zijn devotie voor God, ook het doel ervan. Jorge Rafael Videla wordt op 2 augustus 1925 geboren als zoon van een beroepsmilitair in een conservatief middenklassegezin. Zijn ouders geven hem de namen van zijn tweelingbroertjes, die op éénjarige leeftijd zijn gestorven. Het gezin Videla woont in het stadje Mercedes in de provincie Buenos Aires op korte afstand van de hoofdstad. De vader van Videla zal het er als luitenant-kolonel tot commandant van het zesde regiment infanterie schoppen en deelnemen aan de staatsgreep in 1930 van generaal Uriburu tegen de Radicale president Yrigoyen. In alle opzichten was vader Videla een rolmodel voor zijn zoon. Van zijn moeder, wier `barmhartigheid en diepgewortelde geloof' hij zich vooral herinnert, nam Videla de toewijding aan het rooms-katholicisme over. Leger en godsdienst vloeien bij Videla moeiteloos in elkaar over. In één van de interviews zegt hij over de periode van de dictatuur: Dit was een juiste oorlog en het christendom gelooft in juiste oorlogen.

De dood, zo menen Seoane en Muleiro mede op gezag van door hen geconsulteerde psychoanalisten, is een centraal thema in het leven van Videla. Die consulten mogen dan voorzien in een door Argentijnen breed gevoelde behoefte aan psychologiseren, de resultaten ervan doen soms potsierlijk aan. Zo wordt over de begrafenis van zijn eveneens jong gestorven zus María Olga (`Lala') een plaatselijke journalist aan het woord gelaten. ,,De begrafenis van Lala Videla was een sociale mijlpaal. Zij lag in haar kist in de jurk die ze op haar vijftiende verjaardag droeg. De snor van de oude Videla stak af bij de bleekheid van de overledene. Ik herinner me dat beeld bijna als het portret, als een ansichtkaart van het Mercedes van die dagen.' Een krachtig beeld, stellen de biografen van Videla, om vervolgens te concluderen dat `de snor, de bleekheid en de dood' de drie elementen waren die op 24 maart 1976 met Videla aan de macht kwamen.

Het stadje Mercedes uit de jeugdjaren van Videla komt nog een paar keer terug in diens latere leven. In 1980 legt hij er in het gezelschap van staatssecretaris Zorreguieta van Landbouw en Veeteelt (diens enige optreden in het boek) de eerste steen voor een nieuwe veemarkt. Niet alleen zal de markt nooit worden afgebouwd, na de dictatuur besluit het stadje ook officieel Videla tot persona non grata te verklaren.

De afkomst, jeugd en vorming van (de militair) Videla wordt in twee lange hoofdstukken met veel details behandeld. Dat lijkt een overdaad, maar juist voor lezers die niet goed op de hoogte zijn van de Argentijnse samenleving en geschiedenis valt hier veel te leren. Ook persoonlijkheid en karakter van de dictator komen uitgebreid aan bod. Opvallend is, dat de man die zo'n prominente positie heeft ingenomen in de Argentijnse geschiedenis welbeschouwd een kleurloze, saaie man is. Een zeloot ook, rechtlijnig en dogmatisch. Bovendien, zo blijkt uit de – zeker niet onbevooroordeelde – beschrijving in El Dictador, een gevoelloze man, die zelden emoties toonde.

Twee episodes uit boek geven daarvan treffende voorbeelden. Zo verbazen de auteurs zich over de juichkreet van Videla bij de overwinning van het Argentijnse nationale voetbalelftal op Oranje tijdens de finale van het omstreden WK in 1978. `Het klonk als een oorlogskreet. Zijn gebaren zijn vastgelegd op een foto die de hele wereld overging. De Nederlanders verdienden – volgens Videla – deze nederlaag, die ook een straf was voor de Moeders van de Plaza de Mayo bij wie de Nederlandse selectie van te voren op bezoek was gegaan.' Dit laatste is onjuist. Hoewel drie leden van de Nederlandse selectie te kennen zouden hebben gegeven dat zij bij de Moeders langs wilden gaan, verbood het door de KNVB opgestelde protocol dergelijke contacten. Wel gingen twee spelers van het Nederlands hockeyelftal, Litjens en Jorritsma, ten tijde van het WK hockey – dat een paar maanden voor het voetbal-WK eveneens in Argentinië werd gehouden – op bezoek bij de Moeders. Ook sommige Nederlandse sportverslaggevers deden dit.

Geen medelijden

Onthullend is de episode waarin Videla weigert te bemiddelen voor familieleden van zijn moeders kant die tijdens een `veiligheidsoperatie' in Mercedes worden opgepakt. Ook zij verdwijnen. `Geen medelijden was een regel van de illegale repressie', schrijven Seoane en Muleiro, `want het ging niet om de gehoorzaamheid van de opposanten, maar om hun vernietiging.' Maar toen Videla ter ore kwam dat een voormalig vriendinnetje van zijn zoon Jorge Horacio door een zogenoemde taakgroep van de strijdkrachten was ontvoerd, toonde hij zich ontzet, zegt haar moeder in het boek. Het meisje – de dochter van een landmachtgeneraal – bleek terecht te zijn gekomen in het beruchtste detentie- en foltercentrum van de marine, de ESMA. Nadat Videla de zaak binnen de junta aanhangig had gemaakt, belde het juntalid namens de marine, admiraal Emilio Massera, de moeder op. Hij zei dat ze van niets wisten, volgens Videla. Bent u dat nagaan bij de ESMA?, vroeg de moeder. En Massera zei: mevrouw, in de ESMA waren en zijn er geen gedetineerden. Naderhand, aldus Videla, hoorden we dat ze in de ESMA was en in zee is gegooid.

Aan de vete tussen Videla en Massera wordt terecht ruimschoots aandacht besteed. Ofschoon de slepende, en voor sommige betrokkenen dodelijke, ruzie tussen de twee coupplegers wel bekend was, komen Seoane en Muleiro in hun boek met nieuwe details. Videla (`Pink Panther', zoals Massera hem noemde, of `De Dunne') was de kleurloze dienstklopper die namens het leger een soort jihad voerde tegen een deel van de Argentijnse bevolking. Van zelfverrijking wilde hij ogenschijnlijk niets weten – zijn kooplustige echtgenote mocht tijdens buitenlandse reizen haar slag slaan. Massera (`de Zwarte' of `Admiraal Nul') was de geslepen, maffiose politicus die via de junta vooral zijn eigen politieke en economische doelen nastreefde – de `Richelieu van Videla', zoals een Amerikaanse diplomaat hem eens omschreef.

Tussen Videla en Massera bestond van het begin af aan een enorme rivaliteit. Massera betwistte de landmachtchef het leiderschap van de junta, maar moest het tegen hem afleggen omdat het leger als grootste krijgsmachtonderdeel de leider en uiteindelijke president mocht leveren. Massera legde zich daar niet bij neer en bouwde gestaag aan zijn eigen imperium, deels via een parallelle infrastructuur aan die van de staat. De drie krijgsmachtonderdelen hadden het nationale territorium verdeeld, evenals de ministersportefeuilles. Ook hadden ze hun eigen clandestiene detentiecentra. Maar de marine van Massera beschikte bijvoorbeeld daarnaast op de Argentijnse ambassade in Parijs over een eigen Europees centrum van operaties. Een diplomate van de ambassade die daarover berichten doorgaf aan het kamp van Videla verdween door toedoen van een taakgroep van de marine. De Videla-getrouwe Argentijnse ambassadeur in Caracas trof hetzelfde lot. Op andere medestanders van Videla binnen het staatsapparaat werden bomaanslagen gepleegd.

Kinderroof

Welbeschouwd had ook Jorge Zorreguieta het slachtoffer kunnen worden van de vete tussen Videla en Massera. De landbouwman was de regering binnengehaald door José Antonio Martínez de Hoz, de superminister van Economie die zijn lot en dat van zijn protegés onlosmakelijk had verbonden aan Videla. Op zijn beurt geloofde de landmachtgeneraal voluit in Martínez' economische hervormingsproject. Massera echter gruwde van Martínez de Hoz en diens economisch beleid, dat uiteindelijk zou resulteren in meer inflatie, een enorme verhoging van de staatsschuld en verarming van de bevolking. De enige sector die het tijdens de dictatuur goed deed was de agrarische, mede dankzij de Argentijnse schending van het internationale graanboycot tegen de Sovjet-Unie wegens de inval in Afghanistan in 1980. Uiteindelijk was de rol van Massera in 1979 vrijwel uitgespeeld en bleven Videla en de zijnen (onder wie Zorreguieta) aan tot 1981.

Videla werd in 1985 wegens 66 gevallen van doodslag, 306 van illegale detentie, 93 van mishandeling en 26 van roof veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Ook de andere junta-leden werden tot lange straffen veroordeeld. In 1989 verleende de toenmalige president Carlos Menem hun gratie, onder druk van voortdurende onrust binnen de strijdkrachten. Maar kinderroof – een delict dat niet kan verjaren – valt nadrukkelijk niet onder de bepalingen van de amnestie. En zo zijn de juntaleden in afwachting van een nieuw proces. Videla zelf begrijpt niet dat het vaderland, dat op 24 maart 1976 nog applaudiserend langs de kant stond, hem nu zo behandelt. Tijdens het grote proces tegen de junta's in de jaren tachtig nam de oud-dictator steeds een bijbel mee naar de zittingen. Toen hij in de gaten kreeg dat fotografen met telelenzen probeerden opnamen te maken van zijn lectuur, sloeg hij de bijbel demonstratief open bij Lucas 23:24 en de woorden van Jezus aan het kruis: `Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen'.

El Dictador maakt nóg aannemelijker dan tot nu toe al was aangetoond, dat de belangrijkste reden voor de militaire staatsgreep in Argentinië op 24 maart 1976 een economische was. Randvoorwaarde voor het welslagen van de drastische aanpak van de Argentijnse economie was het ontbreken van oppositie daartegen. Die oppositie, in de breedste zin van het woord, werd genadeloos uitgeschakeld, ook lang nadat de gewapende tegenstanders van de militairen nog een factor van betekenis waren. Voortzetting van de repressie diende dan ook allereerst het economische doel. Videla zelf heeft daar in het boek weinig substantieels over te zeggen en cijfert zichzelf weg met een overdaad aan valse bescheidenheid. Zijn slotsom: ik was slechts één soldaat meer bij de legitieme verdediging van het aangevallen vaderland.

`El Dictador' is voorlopig alleen in het Spaans verkrijgbaar. Of er een Nederlandse vertaling komt, is onbekend.

María Seoane en Vicente Muleiro: El Dictador. La historia secreta y pública de Jorge Rafael Videla. Editorial Sudamericana (Buenos Aires), 640 blz. ƒ65,55