De ontluistering van Amerika

Geen moderne natie is zozeer de gevangene van haar eigen mythologie als de Verenigde Staten, schreef archeoloog en auteur Ronald Wright onlangs in de Times Literary Supplement. Amerika ziet zichzelf nog steeds als een baken van vrijheid, met noeste arbeid geplant op maagdelijk land. Die nationale mythe bindt samen en geeft energie, maar vertekent onmiskenbaar de historische werkelijkheid, aldus Wright. Het Amerikaanse continent werd niet `gewonnen' op de wildernis, zoals de mythe wil, maar in een bloedige strooptocht veroverd op inheemse volkeren die rond de tijd van Columbus een beschavingsniveau hadden bereikt dat zich kon meten met dat van de Europese conquistadores en kolonisten. Ook de Noord-Amerikaanse wolkenkrabbers, aldus Wright, staan op een fundament van `slachtpartijen en slavernij' – vandaar dat de meeste Amerikanen zo weinig feitelijks willen horen over hun geschiedenis maar zich liever, met hun nieuwe president, overgeven aan de glorie van de mythe.

De Engelsman Wright is een van de revisionistische schrijvers die de afgelopen decennia het beeld van de kolonisatie van Amerika proberen bij te stellen. Hij schreef een populariserende thematische geschiedenis met de veelzeggende titel Stolen Continents (1992), waarin de mythe van de blanke beschavingsmissie wordt ontrafeld aan de hand van voorbeelden uit zowel Noord, Midden- als Zuid-Amerika. Onder Amerikaanse historici is de `New Western History' gegroeid, een school die het agressief economische karakter van de Amerikaanse expansie benadrukt en recht wil doen aan de etnische pluriformiteit van de frontier – een programmatisch voorbeeld is Patricia Nelson Limericks The Legacy of Conquest (1987). Hun revisionisme dringt inmiddels langzaam door tot het grote publiek – vaak in geromantiseerde vorm – en heeft al de kritiek gekregen politiek correct te zijn. Soms is dat terecht, maar veelal gaat het om historici die wars zijn van sentimentaliteit of al te opgewonden moralisme, maar die een nuchterder, minder mythomaan, en dus vollediger beeld proberen te geven van de Amerikaanse geschiedenis.

Omstreden academicus

Een van de aartsvaders van die beweging was een eigenzinnige en omstreden academicus uit Chicago, Francis P. Jennings, die afgelopen november op 82-jarige leeftijd overleed. Hij was directeur van het centrum voor American Indian History in Chicago, en schreef een reeks spraakmakende studies over de Amerikaanse koloniale geschiedenis die het beeld van die periode ingrijpend hebben veranderd. In The Invasion of America (1975), zijn meest geruchtmakende boek, beschreef hij de Puriteinse kolonisatie van de Oostkust, aan de hand van primaire bronnen, als een invasie in een land dat allesbehalve een wildernis was, maar reeds intensief werd bewoond en gecultiveerd. Over de conquistadores die de Inca's en Azteken hadden bedwongen werd al wel zo geschreven, maar boven de Rio Grande kantelde het verhaal naar één van een ongerepte wildenis die werd bedwongen door godvruchtige kolonisten. Bij Jennings werden de echte `barbaren' in het verhaal juist de Puriteinen, die met een combinatie van machtspolitiek en etnische zuivering het land aan de indianen wisten te ontworstelen, en ook hun medekolonisten probeerden te knechten. Later verschenen The Ambiguous Iroquois Empire (1985) en Empire of Fortune (1990), die het verhaal tot 1763 brachten.

In de jaren voor zijn dood werkte Jennings aan het recent verschenen The Creation of America, dat de Amerikaanse Revolutie behandelt, met inbegrip van de vaak vergeten rol van zwarten en indianen.

Niet verwonderlijk is ook hier het beeld gekanteld: Jennings beschrijft de revolutie als een complexe machtsstrijd van lokale elites die zich het Britse imperium wilden toeëigenen, en die in de repressie van dissidenten veel meer leek op de Franse Revolutie dan Amerikaanse historici gewoonlijk erkennen. De retoriek over vrijheid, natuurlijke rechten en democratie was niet meer dan `oorlogspropaganda', aldus Jennings. Geen enkele prominente Amerikaanse revolutionair was een democraat in onze zin van het woord. Dat lijkt logisch, maar is dat volgens Jennings allerminst door de dichte mythologisering van de Amerikaanse geschiedenis. Jennings spreekt van de weeromstuit over een `herrenvolk democratie' van een blanke bovenklasse, met intolerante en racistische kenmerken. De inheemse bevolking, maar ook talrijke dissidenten onder de Amerikaanse kolonisten, kregen te maken met keiharde repressie en onteigening van bezittingen. De basis voor de latere Burgeroorlog werd destijds al gelegd.

Uit de bocht

The Creation of America is zeker niet Jennings beste boek. Uit tijdnood door ziekte en gevorderde leeftijd moest hij zich dit keer baseren op secundaire bronnen, die gelukkig mede door zijn pionierswerk nu ook kritischer en waarachtiger worden geschreven. Bovendien wreekt zich in dit boek, meer dan in zijn vorige, Jennings polemiek met het heden. Jennings nam nooit een blad voor de mond, hij was politiek links, was wantrouwig jegens alle autoriteiten en nam in de jaren vijftig ontslag als docent aan een school uit protest tegen McCarthy. Maar in dit boek zit zijn polemiek tegen het klassieke, mythomane geschiedbeeld van de Amerikaanse schoolboekjes het verhaal danig in de weg en vliegt hij zelf regelmatig uit de bocht met a-historische retoriek over het herrenvolk en anachronistische verwijzingen naar Vietnam als het Waterloo van het Amerikaanse imperialisme.

Dat neemt niet weg dat ook The Creation of America, voor wie de eenzijdigheid ervan niet uit het oog verliest, allerlei dwarse inzichten en verrassende details bevat die passen in de ontnuchterde Amerikaanse historiografie die Jennings in gang heeft helpen zetten. Veel revolutionairen van het eerste uur ging het om het veilig stellen van inkomsten uit smokkel of illegaal verworven indiaans land. De grondwet van Pennsylvania, vaak aangehaald als een model van democratie, bleek een instrument van repressie door een fanatieke minderheid die regeerde met propaganda en het pistool. Een artikel tegen de slavenhandel werd geschrapt uit de Verklaring van Onafhankelijkheid, mede omdat die uit de mond van slavenhouders te ongeloofwaardig zou zijn. De latere Bill of Rights, een monument van burgerrechten, werd vooral aan de grondwet toegevoegd uit angst voor volksoproer geïnspireerd op de Franse Revolutie.

Toch ziet zelfs Jennings ondanks alles winstpunten: de Amerikaanse grondwet opende de weg naar religieuze vrijheid en versnelde de ontwikkeling naar een grotere zeggenschap van onderdanen in de staat. Geen geringe verdiensten, zou je zeggen, maar Jennings erkent ze karakteristiek schoorvoetend.

In hun tegendraadsheid zijn Jennings conclusies even kort door de bocht als de heldenverering waartegen hij zich afzet. Dat is misschien onvermijdelijk, in een revisionisme dat wil spreken namens de verliezers van de geschiedenis. Ondanks zijn retorische overdrijvingen, kan die benadering nog steeds werken als tegengif, zeker in een tijd waarin juist de mythe in Washington weer volop nieuw leven ingeblazen krijgt.

Francis Jennings: The Creation of America. Through Revolution to Empire. Cambridge University Press, 340 blz. ƒ57,75