De man uit Kassa

Zijn boek `Gloed' staat al maanden op de bestsellerlijsten in Nederland en Duitsland, maar de Hongaarse auteur Sándor Márai (1900-1989) was bijna vergeten.

In de jaren zestig woonde er bij mij in de straat een Hongaarse ingenieur, die 's morgens vroeg zijn poes uitliet aan een lang touw. Hij sprak alleen Hongaars en was de voorkomendheid zelve. Die ingenieur had iets deftigs dat niet van deze tijd leek en al helemaal niet bij Nederland hoorde. Zo maakte hij vaak een buiging als hij iemand begroette. Die on-Nederlandse beleefdheid wekte de spotzucht van de kinderen in de straat. Mijn moeder vertelde me dat de ingenieur na de Hongaarse opstand van 1956 met zijn vrouw naar Nederland was gevlucht. Die vrouw heb ik nooit gezien. Wel hoorde ik op een zekere dag dat ze was overleden. Korte tijd daarna stierf ook haar man.

Toen ik de boeken van Sándor Márai las, moest ik voor het eerst sinds jaren weer aan hem denken. Want Márai (1900-1989) was net als de ingenieur een deftige Hongaar die in ballingschap leefde en buigingen maakte als hij iemand begroette. En ook hij overleed kort na de dood van zijn vrouw zonder zijn geboorteland terug te zien. Maar anders dan de ingenieur was Márai een beroemd schrijver. Als de communisten het na 1945 in Hongarije niet voor het zeggen hadden gekregen en Márai niet in ballingschap was gegaan om vervolgens in de vergetelheid te geraken, zou hij een Hongaarse Thomas Mann zijn geweest.

Pas in 1998, een halve eeuw na zijn vlucht en negen jaar na zijn dood, kwam er verandering in Márais lot, toen de Italiaanse uitgeverij Adelphi de roman Gloed (1942) uitgaf. Het werd door de pers geprezen als een `boek van tijdloze schoonheid'. Toen Hongarije een jaar later Schwerpunkt op de Frankfurter Buchmesse was en er een Duitse vertaling van Gloed verscheen, ging het verder bergopwaarts met Márais postume eerherstel. Toch had niemand in Duitsland dat succes kunnen voorspellen. Vier jaar eerder was Márais autobiografische roman Bekentenissen van een burger geflopt – het boek werd zelfs nergens besproken. Bovendien was er in 1950 al eens een Duitse vertaling van Gloed (met de titel Die Kerzen brennen ab) verschenen, die evenmin werd opgemerkt. Maar dankzij de Buchmesse belandde Gloed op tafel bij Marcel Reich-Ranicki, die het in zijn televisieprogramma Das Literarische Quartett de hemel in prees. Maandenlang stond het in de Duitse boekentop-10. Gloed werd vervolgens ook in Nederland uitgegeven, waar het inmiddels aan zijn negende druk toe is.

Verderf en nepharmonie

Márais succes is volkomen terecht. Bij het lezen van zijn boeken denk je voortdurend aan meesterwerken als Robert Musils Der Mann ohne Eigenschaften, Elias Canetti's Die gerettete Zunge of Stefan Zweigs Die Welt von Gestern en vooral aan Joseph Roths Radetzkymarsch. Het zijn schrijvers die net als hij in de Donaumonarchie zijn geboren. Ook hun proza loopt over van die merkwaardige sfeer van uiterlijke schijn, nepharmonie en gefnuikte Sturm und Drang, die zo typerend is voor het operetterijk van keizer Frans Josef II.

Márais boeken zijn psychologische romans over de onderstroom van het leven, over krachten waarop mensen geen greep hebben en die hen in het verderf storten, al proberen ze zich er met alle geweld tegen te verzetten. Zo houdt de vertelster van de roman De erfenis van Eszter (1938) van een pathologische leugenaar, die haar heeft bedrogen en er met haar zuster vandoor is gegaan. Als hij haar na twintig jaar weer komt opzoeken, denkt ze dat hij haar alsnog zijn liefde komt verklaren. Ze is bereid hem alles te vergeven. Maar hij maakt opnieuw misbruik van haar vertrouwen. En ook nu vindt ze dat niet erg, uit een soort masochistische liefde, uit een raar plichtsgevoel, uit een besef dat het zo moet zijn en niet anders. ,,Het leven heeft me op zo'n geweldige manier bedeeld en me zo volledig leeggeroofd'', zegt ze. Het is natuurlijk volslagen krankzinnig om je zo op te stellen, maar sommige mensen vergaat het zo. Ze geloven in het noodlot en laten zich er door meesleuren.

Ook in Gloed spelen die erbarmenloze wetten van onbaatzuchtige liefde, noodlot en passie een rol. Het is een al even fascinerend boek over de ongrijpbaarheid van het leven, waaruit opnieuw blijkt dat je er met rationaliteit alleen niet komt als het gaat om wezenlijke ervaringen. Een oude generaal krijgt op een avond in 1940 bezoek van de man die eenenveertig jaar eerder zijn beste vriend is geweest. Ze hebben elkaar sindsdien niet gezien. Al die jaren heeft de generaal zich afgevraagd of zijn boezemvriend hem met zijn vrouw heeft bedrogen en hem heeft willen vermoorden. Een groot deel van de roman bestaat uit herinneringen van de generaal aan die vriendschap, die tegelijkertijd een jongensverliefdheid is, en vooral aan de dramatische beëindiging daarvan. Maar als beide mannen uiteindelijk voor het haardvuur zitten, blijkt dat het de generaal helemaal niets meer kan schelen wat er in het verleden is gebeurd. Het enige dat nog voor hem telt is dat hij en zijn vriend van dezelfde vrouw hebben gehouden en zij in hun jonge jaren `hartstochtelijk' om elkaar hebben gegeven. ,,Denk jij ook dat het leven geen andere zin heeft dan de passie, die op een dag ons hart, onze ziel en ons lichaam doordringt, en dan eeuwig blijft branden, tot de dood?'' vraagt de generaal aan het eind aan zijn vriend.

Net als in De erfenis van Eszter gaat het Márai ook nu niet om de afrekening met het verleden, maar om de vaststelling dat het leven op zichzelf nutteloos is en alleen de passie telt, hoe ongelukkig je er ook van kunt worden. Bij Márai bestaan alleen `voldongen feiten'. De vriendschap tussen beide mannen in Gloed is zo'n feit en blijkt zelfs het overspel te hebben overleefd. En juist dat is er zo mooi aan. Gloed is eigenlijk een getuigenis van een soort eeuwig en alles overstijgend humanisme, waarin je je tegenstander blijft respecteren zolang die zich maar als mens gedraagt.

De vader van Sándor Márai was een welgestelde katholieke advocaat in het Hongaarse stadje Kassa (nu Kosice in Slowakije), wiens voorouders in 17de eeuw uit Saksen kwamen en in dienst van de Habsburgse keizer traden. Het gezin leidde een leven zoals je dat in de Donaumonarchie zou verwachten: ze woonden in een groot appartement met kamers die in elkaar overliepen en leidden een rustig bestaan waarin alles draaide om goede manieren, huisconcerten en een met porselein, zilver en een damast gedekte tafel. Tegelijkertijd was het een wereld met een dubbele moraal, waarin hypocrisie en snobisme heersten en iedereen die zich niet aan de regels hield werd verstoten. Het was een benauwende atmosfeer van keurigheid en fatsoen, die om genadeloos verzet vroeg. In De bekentenissen van een burger (1934) komen mooie voorbeelden van dat verzet voor, zoals het verhaal over een jurist die zijn carrière vaarwel zegt om gelukkig te zijn als slager.

Hongaarse middenklasse

Op zijn achttiende vertrekt Márai naar de kersverse Weimarrepubliek om er journalistiek te studeren. Ook wil hij weg van huis omdat zijn milieu hem benauwt. In Duitsland ontdekt Márai al gauw dat het echte leven zich niet in de studeerkamer afspeelt, maar op straat. Hij verandert nu in een soort voddenman van het leven. In 1923 – hij is inmiddels getrouwd met een Hongaars-joodse vrouw, die ook uit Kassa komt – gaat Márai naar Parijs als correspondent voor de Frankfurter Zeitung. Hij blijft er zes jaar en leeft er van zijn pen. Zijn dagen brengt hij door in de cafés van Montparnasse, die hij de `quarantainestations van de vaderlandlozen uit de gehele wereld' noemt. In Parijs komt hij erachter wat hij werkelijk wil: full time schrijven. En omdat hij meent dat een mens geen ander vaderland heeft dan zijn moedertaal, keert hij terug naar Hongarije en naar dat zo verafschuwde milieu, waarvan hij inmiddels beseft dat hij zich er nooit van zal kunnen losmaken. Aan zijn vie de bohème komt een einde, de burger-kunstenaar is geboren.

In de nu volgende jaren verschijnen 46 boeken van zijn hand: 27 romans en verder verhalen, toneelstukken, gedichten en essays. Rode draad in bijna al dat werk is het verval van de Hongaarse middenklasse. Márai zag het als zijn voornaamste taak om die ondergang te beschrijven. Hij kende die middenklasse tenslotte als geen ander. Het is een thematiek die ongetwijfeld heeft bijgedragen aan zijn succes. Lezen over je eigen ondergang is tenslotte altijd een feest der herkenning.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog houdt Márai zich afzijdig van politiek. Hij zet zijn leven van tennispartijtjes, schrijven en middagwandelingen gewoon voort. Hongarije bevindt zich in een merkwaardige positie en neemt een neutrale, maar vriendschappelijke houding aan ten opzichte van Duitsland. Hongaarse troepen vechten zelfs zij aan zij met de Duitsers in Rusland. Als de Hongaarse dictator Horthy in 1944 een wapenstilstand met Moskou sluit wordt hij door de Duitsers afgezet en krijgen de fascistische Pijlkruisers het voor het zeggen. Ze oefenen een terreur uit, die het grootste deel van de tot dan toe gespaarde Hongaarse joden het leven kost. Márai blijft niet hulpeloos toezien bij die slachtpartij en redt tal van joodse kinderen het leven.

Tussen september '44 en april '45 verandert Hongarije in een oorlogstoneel. Het land wordt verwoest en leeggeroofd door Russen en Duitsers, die het centrum van Boedapest in puin schieten. Márai heeft zich inmiddels teruggetrokken op het platteland. Hij vindt er echter de rust niet meer om te schrijven en houdt alleen nog zijn dagboek bij. Als de Russen Boedapest veroveren begint Márais grote verdwijnen. Na de Duitse nederlaag is er niets meer over van zijn vertrouwde wereld. Zijn huis en bibliotheek zijn verwoest. De voormalige beulen van de Pijlkruisers trekken een nieuw uniform aan en moorden als lid van de geheime politie gewoon door. Het bevestigt Márai in zijn opvattingen over de menselijke soort. Uit een dagboekaantekening van 18 maart 1985 blijkt dat zijn ervaringen uit die dagen hem altijd zijn blijven kwellen: ,,Vandaag, veertig jaar geleden, ging de mens kapot die ik tot dan toe was.''

Al gauw beseft hij dat voor een representant van de bourgeoisie als hij in het communistische Hongarije geen plaats zal zijn. In Land, land schrijft hij: ,,Ik moet mijn land verlaten niet alleen omdat de communisten me niet vrij laten schrijven, maar voornamelijk en misschien nog wel veel meer omdat ze me niet vrij in stilte willen laten leven. Als een schrijver in dit systeem niet alles verwerpt waarin hij was geboren, waarin hij opgroeide, waarin hij geloofde – zijn klasse, cultuur, middenklasse en humanistische kijk op de wereld, een democratische maatschappij – dan maken de communisten een levend lijk van hem en soms – zoals met de Russische schrijvers die weigerden zich te onderwerpen – een echt lijk.''

Ballingschap

Als de Zwitsers hem in de zomer van 1948 uitnodigen voor een verblijf in hun land, grijpt Márai zijn kans, vraagt een paspoort aan en gaat in ballingschap. Via Zwitserland en Italië belandt hij in de Verenigde Staten. In Hongarije is hij intussen tot klassenvijand uitgeroepen en wordt hij doodgezwegen.

In New York werkt Márai bij Radio Free Europe, een door de Amerikanen gefinancierde radiozender die uitzendt in Oost-Europa. Zijn boeken verschijnen alleen nog bij kleine exil-uitgeverijen en bereiken daardoor weinig lezers. Tijdens de de Hongaarse opstand van 1956 haast Márai zich naar Europa, in de hoop dat het communisme ten val is gebracht en hij weer in Hongarije kan gaan wonen. Maar als hij, eenmaal in Zuid-Duitsland, de duizenden Hongaarse vluchtelingen ziet, beseft hij dat die hoop tevergeefs is.

Na zijn pensionering woont hij nog een tijd in Italië, en al gauw herkent hij ook hier niets meer van zijn vroegere wereld. En ineens begrijp je waarom zijn leven zinloos wordt en hij zich in zijn dagboeken steeds somberder uitlaat over het aardse bestaan. Want anders dan ballingen als Thomas Mann, die in de loop der jaren terugkeerde naar Europa om er zijn levensdagen uit te zitten, was er voor Márai helemaal niets om naar terug te verlangen. Uiteindelijk vestigt hij zich in San Diego, Californië. Hij geniet er van de mooie natuur en het aangename klimaat. Het is een omgeving die niet besmet is door het verleden en die hem in tegenstelling tot New York in geen enkel opzicht aan Europa doet denken. Liever niets dan een surrogaatgevoel, moet hij hebben gedacht.

Halverwege de jaren tachtig komt er mede dankzij Gorbatsjov een eind aan de Koude Oorlog. In Hongarije is de dooi in volle gang. Drie uitgevers in Boedapest grijpen hun kans en willen Márais boeken uitgeven. Maar Márai wil daar niets van weten zolang de Russische troepen zijn land niet hebben verlaten en er geen vrije democratische verkiezingen zijn gehouden. Een uitnodiging van de Hongaarse schrijversbond om naar Boedapest te komen, slaat hij in de wind. Het is te laat, het hoeft voor hem niet meer.

In zijn laatste dagboeken kun je het verslag lezen van de langzame aftakeling van zijn vrouw, met wie hij zestig jaar gelukkig getrouwd is geweest en die hem altijd heeft gesteund. Als zij aan keelkanker sterft en hij alleen achterblijft, koopt hij een pistool. Hij is vastbesloten een eind aan zijn leven te maken voordat hij net als zijn vrouw volslagen hulpeloos wordt. Hij ziet het leven als één grote illusie. In zijn dagboek constateert hij op 29 november 1985: ,,Aan het eind van het leven breekt er een periode aan waarin alles wat men in een lang leven heeft meegemaakt en gehoopt en waarop men gebouwd heeft, doelloos en zinloos wordt.''

Maar Márai is ook bang, niet zozeer voor de dood als wel voor het sterven, in zijn ogen de zwaarste beproeving voor een mens. Als in de komende jaren ook zijn broer in Hongarije en zijn 46-jarige pleegzoon overlijden is voor hem de maat vol. Op 22 februari 1989 zet hij de loop van zijn pistool tegen zijn hoofd – een paar jaar eerder heeft hij nog schietlessen genomen bij de politie. Kort voor zijn dood eren de Hongaren hem nog met de prestigieuze Kossuth-prijs. In zijn laatste dagboeken schrijft hij met geen woord over dat late huldeblijk. Het enige dat hem misschien voldoening heeft gegeven is dat de gemankeerde burgers, die de hoofdpersonen van zijn boeken zijn, het uiteindelijk hebben gewonnen van het communisme.Ik zou willen dat de ingenieur uit mijn jeugd hetzelfde had kunnen meemaken.

De romans `Gloed' en `De erfenis van Eszter' zijn in vertaling verschenen bij Uitg. Wereldbibliotheek. De dagboeken, de memoires `Land, land' en de roman `De bekentenissen van een burger' verschenen in het Duits bij Oberbaum Verlag in Berlijn.