De lyriek spat rond

Naar aanleiding van het thema van de bijna voorbije Boekenweek hebben sommige lezers zich misschien afgevraagd waar de schrijvers zich nu precies bevinden. Een reeks kleine, doch door hun frequentie opvallende advertenties bood uitkomst. De schrijvers om wie het gaat mogen dan schrijven `tussen twee culturen', uit die advertenties viel op te maken dat ze zich `vanavond' in elk geval bevonden in Bibliotheek Toolenburg te Hoofddorp of in Cultureel Centrum De Weijer te Boxmeer.

Zelden zullen er zoveel debutanten of bijna-debutanten in het zonnetje zijn gezet als dit jaar. Of ze alle aandacht werkelijk verdienen, moet nog worden afgewacht, tenzij men bereid is om met één geslaagd boek genoegen te nemen. Aan welwillendheid bij het publiek lijkt het niet te ontbreken, maar de kritiek begint voorzichtig tegen te sputteren. In de Volkskrant van vorige week werd één schrijver van buitenlandse komaf (Hafid Bouazza) al ironisch begroet als een echte Nederlandse schrijver omdat hij een mislukt toneelstuk zou hebben geschreven. Dat belooft nog wat voor de toekomst.

Voor de meeste schrijvers in kwestie bestaat die toekomst allereerst uit hun volgende boek, waarin ze de belofte van het debuut moeten zien waar te maken. Voor sommige schrijvers blijkt er echter ook een tussenoplossing te bestaan, voornamelijk ingegeven ben ik bang door de wens koste wat kost in de Boekenweek met een nieuw boek present te zijn. Anders dan de vleesindustrie heeft het literatuurbedrijf geen problemen met vraag en aanbod.

Een goed voorbeeld is Berichten uit Maanzaad Stad, het nieuwe boek van Abdelkader Benali. Echt nieuw is er vrijwel niets aan, want het gaat om een bundel mengelwerk, gevuld met gelegenheidsstukken: een toespraakje hier, een column daar, een aantal verhalen en reportages, en zelfs een heus gedicht. Vergeleken met Benali's alleraardigste debuutroman Bruiloft aan zee (1996) blijkt het allemaal minder waar. Heel geschikt wellicht om voor te lezen in Hoofddorp en Boxmeer, maar voor het merendeel nauwelijks de moeite waard om nu al in boekvorm te bundelen. Pas wanneer een schrijver afdoende zijn kwaliteiten bewezen heeft, word je ook nieuwsgierig naar wat hem daarnaast, in zijn minder bevlogen uren, uit de pen is gevloeid.

Benali heeft de volgorde omgekeerd, zodat we mogen kennismaken met enkele stukken die in het kielzog van zijn debuut zijn ontstaan, zoals een `ABC van Bruiloft aan zee' en zijn dankwoord bij het aanvaarden van de Geertjan Lubberhuizen Prijs 1998. Ook in diverse andere teksten heeft hij moeite om zijn debuut los te laten. In een kort en weinig opzienbarend verslag van een bezoek aan Los Angeles komen we bijvoorbeeld de taxichauffeur Chalid weer even tegen, terwijl in `Ik & Jij' het hele boek zich als een sprekende `schaduw' tot zijn auteur richt.

Benali lijkt zich in deze tweespraak tussen schrijver en schaduw enigszins ongemakkelijk te voelen onder de reacties die zijn boek heeft uitgelokt. `Boek, alsjeblieft, verdwijn!' zien we hem zelfs uitroepen, weliswaar in zijn `meest verwarde momenten', waaruit we mogen afleiden dat de zelfspot hem gelukkig nog niet heeft verlaten. Terecht uiteraard, want juist zelfspot of liever een uitbundige, vaak naar het hilarische uitschietende fantasie is misschien wel zijn grootste literaire kracht.

In Bruiloft aan zee kwam daar ook nog een niet gering vertellerstalent bij, dat alle verbale escapades en capriolen steeds soepel in de hand wist te houden. Op de korte baan blijft de verteller Benali helaas te veel op de achtergrond, met als gevolg dat de vrolijke lyriek alle kanten opspat, zonder dat duidelijk wordt wat de schrijver er nu precies mee wil zeggen. Of hij neemt genoegen met een schimmig stemmingsbeeld, zoals in `De ballingschap van Ibn Hazm', de langste tekst van de bundel en een historisch verhaal (maar dan zonder veel `verhaal') over deze theoloog, filosoof en dichter uit de elfde eeuw, van wie maar weinig niet-islamitische lezers ooit zullen hebben gehoord.

Interessanter is de reportage over Mali, waarin onder meer de vrouwenbesnijdenis wordt aangestipt. Een lastige kwestie voor verlichte islamieten, evenals Rushdie's De duivelsverzen, waarover Benali in een ander stuk – met bewondering – schrijft. Bij hem ontbreken de simpele oordelen of veroordelingen. Hij probeert eerder, zoals het in het stuk over Mali heet, `het onmogelijke' te doen: `Jezelf afsnijden om heel te blijven. Muziek maken om iets af te breken'. Dubbelzinnige formuleringen waarin zich de romancier verraadt, die met `het onmogelijke' wel raad weet. Er is alleen geen roman, iets waarmee Benali aan het slot van de bundel de draak lijkt te steken door een al dan niet gefingeerd `persbericht' uit 1998 op te nemen, waarin op ronkende toon het eerste deel van zijn `Definitieve Grote Marokkaanse Roman' Djinns wordt aangekondigd.

Zoals gezegd, aan zelfspot ontbreekt het Abdelkader Benali niet, aan talent evenmin. Maar ook als hij wat minder definitief, wat minder groot en desnoods wat minder Marokkaans zou zijn uitgevallen, dan nog had ik die nieuwe roman heel wat liever gelezen dan deze van elke – behalve commerciële – noodzaak verstoken collectie Berichten uit Maanzaad Stad.

Abdelkader Benali: Berichten uit Maanzaad Stad. Vassallucci, 136 blz. ƒ34,90