De geur van beschaving wekt argwaan

Wie in de galerijen van het Musée d'Orsay, onder de imposante koepel, rondloopt, komt langs het werk van de Franse, negentiende-eeuwse kunstenaar Honoré Daumier. Eerst zijn er de litho's, meesterlijke portretten uit de Galerie des Célébrités du Juste-Milieu, die als basis dienden voor de beroemde karikaturen in de krant Le Charivari: `de onderkruiper', `de onnozelaar' en `de blaaskaak' – koppen die regelrecht zijn weggelopen uit het oeuvre van Honoré de Balzac. Pal tegenover de portretten hangt Les émigrants, een gipsen reliëf, dat je niet zo snel aan diezelfde Daumier zou toeschrijven. De figuren op het reliëf slepen zich voort en kijken, met licht gebogen rug, achterom naar wat ze achterlaten – zinnebeeld van emigrantenpijn.

Beide kanten van Daumier zullen de in China geboren schrijver en cineast Dai Sijie (1954) hebben aangesproken. Zijn debuutroman Balzac en het Chinese naaistertje is niet alleen een ontwapenend eerbetoon aan Balzac en enkele andere grootheden uit de Franse literatuur van de negentiende eeuw, het is ook een knappe, speelse illustratie van hoe literaire verbeelding kan bijdragen aan het ontsnappen aan die migrantenpijn of deze in ieder geval enigszins kan verlichten.

Vóór de verschijning van zijn roman, vorig jaar, had de in 1984 naar Frankrijk gekomen Sijie een bescheiden reputatie van cineast opgebouwd met Chine, ma douleur (1989), Le mangeur de lune (1994) en Tang le onzième (1998). Na zijn optreden bij het literaire televisieprogramma van Bernard Pivot begon zijn ster te rijzen en dit jaar behoort hij tot de meest vertaalde en best verkochte auteurs in Frankrijk. Inmiddels is Sijie alweer bezig met de verfilming van Balzac en het Chinese naaistertje – in China.

Sijie's virtuoze en geestige boek stuitert heen en weer tussen zwarte komedie en sprookje, tussen puur realisme en het fantastische. Het vertelt het verhaal van twee boezemvrienden, zeventien en achttien jaar, die, tijdens de culturele revolutie in China, naar het platteland worden gestuurd. Als zonen van artsen en tandartsen behoren ze tot de `jonge intelligentsia' die (net als Sijie zelf), op bevel van Mao, door arme boeren moesten worden heropgevoed, ook al had noch de één noch de ander de middelbare school afgemaakt. De jongens belanden in een gehucht op de top van een gebergte, de Hemelfeniks, en vallen ten prooi aan de willekeur van het dorpshoofd die hen zware manden met rijst laat sjouwen of hen te werk stelt in een kolenmijn die op instorten staat. Alleen al het feit dat zich in hun bagage een viool bevindt – `een geur van beschaving die hun argwaan wel moest wekken'– maakt hen tot paria's in de dorpsgemeenschap, tot vijanden van het volk.

Toch beschikken ze over een talent dat het volk kan behagen: ze vertellen films na, die ze gezien hebben in de enige stad in de buurt, honderd kilometer verderop. Het publiek, murw gemaakt door het opdreunen van de dorre taal uit Het rode boekje, luistert ademloos. In de stad ontmoeten de jongens de beeldschone dochter van een beroemde kleermaker, die zich als een vorst, op een draagstoel, door zijn klanten laat vervoeren. Het meisje, dat hetzelfde beroep uitoefent als haar vader, valt in eerste instantie niet bij de jongens in de smaak: `niet beschaafd, tenminste niet voldoende'. De education sentimentale laat echter niet lang op zich wachten; de jongens weten, na burleske toeren, een koffer vol Franse romans te ontfutselen aan een lotgenoot en nemen zich voor om met behulp van deze schat de `heropvoeding' van het meisje ter hand te nemen.

De macht van de literatuur blijkt enorm. Madame Bovary (Flaubert), Jean-Christophe (Rolland) maar vooral Neef Pons (Balzac) leiden hen binnen in een onvermoede wereld van liefde en beschaving, waar het individu wordt gerespecteerd: `Die ouwe Balzac is een onvervalste tovenaar; het meisje had een gedaantewisseling ondergaan [...] en zei me dat het contact tussen Balzacs woorden en haar huid haar gelukkiger en intelligenter zou maken.' Literaire ontsnapping uit de grauwheid van het collectief brengt echter ook risico's met zich mee: de jaloezie van de dorpsjeugd over de gunsten die het naaistertje de verteller verleent leidt tot een vechtpartij, waarbij Neef Pons onder het eierstruif in het stof belandt. Het naaistertje laat zich, in een verrassend einde, verleiden door de passie van de verbeelding en de lokroep van de vrijheid – wat haar tot een ware negentiende-eeuwse, Balzaciaanse heldin maakt.

Wie de moeite neemt Neef Pons te (her)lezen in de onlangs verschenen, uitstekende Nederlandse vertaling, kan een poging wagen Sijie's hartstocht voor die laatste roman van Balzac, uit 1847, te begrijpen. Sijie zal vooral genoten hebben van Balzacs verpletterende verteltalent en zich wellicht aangesproken hebben gevoeld door de scherpte waarmee Balzac de menselijke kleingeestigheid onder de loep legt. Hij zal gegrepen zijn door de geportretteerde, geborneerde wraakgevoelens, door die mateloze hebzucht en door die instelling van ieder-voor-zich. De adem zal hem in de keel hebben gestokt bij die verderfelijke bereidheid tot het uiterste te gaan teneinde er zelf beter van te worden.

Ook de hoofdpersoon uit Balzacs roman, de oude musicus en dirigent Sylvain Pons, bezit een passie (`een man zonder hartstocht is een wanstaltig wezen') en een geheime schat. Sinds jaar en dag verzamelt hij onopgemerkt kunst en antiek en inmiddels bezit hij een kostbare collectie waar menig handelaar een moord voor zou willen doen. Pons is te naïef voor de gewiekste Parijse bourgeoisie waarin hij zo graag, omwille van een goede maaltijd en een goed glas wijn, verkeert: `Sinds twaalf jaar was hij aanwezig bij de opvoering van vaudevilles, komedies en tragedies, en toch herkende hij het toneelspel niet dat in het dagelijks leven wordt opgevoerd'. Pons wordt het slachtoffer van zijn eigen goedheid, een paria, door iedereen verstoten en valt ten prooi aan de hebzucht van zijn huishoudster, een kleermakersechtgenote, die lucht heeft gekregen van de waarde van zijn kunstverzameling.

Als gieren storten ze zich op het toekomstige kadaver: de dokter (`die hoopte dat hij ooit bij een invloedrijke patiënt zou worden ontboden'), de joodse kunsthandelaar (`wie het bewonderen van meesterwerken meer genot verschafte dan een vrek ondervindt bij het staren naar zijn goudstukken'), de financieel adviseur (`met een rood gezicht vol pukkels die aangaven dat hij onzuiver bloed had') en, natuurlijk, de adellijke nicht (`wier valsheid alleen vergeleken kan worden met de achterbaksheid die in het heilig college van kardinalen tot jarenlang geïntrigeer leidt'). Niets kan Pons redden, ook zijn boezemvriend Schmucke niet, een Duitse emigrant die zo mogelijk nog wereldvreemder is dan hijzelf (`weerloos als een lam. Maar ja, lamsbout is wel een gewild gerecht').

Geen menselijke zwakheid ontbreekt in de universele comédie humaine van Balzac. Daumier heeft het goed verbeeld: naast de karikaturale schets van de mens vind je in zijn immense oeuvre ook de verpersoonlijking van de buitenstaander – dat personage dat schrijvers al eeuwenlang zo dierbaar is.

Dai Sijie: Balzac en het Chinese naaistertje. Vertaald door Jan De Meyer. De Arbeiderspers, 182 blz. ƒ32,50 Honoré de Balzac: Neef Pons. Vertaald door Theo Kars. Atheneum-Polak & Van Gennep, 390 blz. ƒ75,-