Boogie Woogie krijgt gelukkig vervolg

Orkesten, toneelgroepen en theaters klagen dat ze gesnoeid worden. Er dient zich ook een nieuw mecenaat aan. Het Nationaal Fonds Kunstbezit is een opmerkelijke omslag in het denken over openbaar kunstbezit, meent F.Kuitenbrouwer.

Ons openbaar kunstbezit is zoiets vanzelfsprekends geworden dat men gemakkelijk vergeet hoe jong het eigenlijk is. Maar bedenk: in 1900 was Vermeers Melkmeisje nog niet in het Rijksmuseum. Het Straatje evenmin. Het Meisje met de parel hing nog niet in het Mauritshuis en Rembrandts Verloochening van de Apostel Petrus bevond zich nog in de Hermitage te Sint Petersburg.

Zo waarschuwde de Utrechtse hoogleraar kunstgeschiedenis Peter Hecht in de eerste Rembrandtlezing onder de titel `Gelukkige momenten, gemiste kansen' die hij vorig jaar hield.

Een prachtig geïllustreerd essay van Hecht onder deze titel is door de Vereniging Rembrandt en de Stichting Nationaal Fonds Kunstbezit uitgebracht in een cassette, samen met twee interviews met museumdirecteuren. Mooi wervingsmateriaal voor de scheidende Philips-topman Cor Boonstra die het bedrijfsleven gaat mobiliseren om hiaten in het openbaar kunstbezit van ons land te helpen opvullen.

Een eerste resultaat valt te zien in het Van Gogh-museum in Amsterdam: een Amsterdams en een Zaans stuk van Claude Monet, die tussen 1871 en 1986 verschillende bezoeken aan Nederland bracht. Na de Victory Boogie Woogie van Mondriaan voor het Haags Gemeentemuseum en de Oude Man van Rembrandt voor het Mauritshuis lijkt een nieuwe fase in het aankoopbeleid te zijn aangebroken. Al blijft het moeilijk opboksen tegen de hoge prijzen voor topstukken op de internationale markt.

Toch is de omslag in het denken opmerkelijk. Nog niet zolang geleden stond dit in een defensieve sleutel, het behoud van Nederlands cultuurbezit. Daartoe is in 1984 de Wet behoud cultuurbezit (WBC) ingevoerd die het mogelijk maakt kernstukken voor ons land van export te redden. Tegen een prijs uiteraard. De marktprijs, zo besliste de rechter in 1998 naar aanleiding van de Tour César van Cézanne. Maar het Rijk had geen geld gereserveerd voor toepassing van de WBC. Dat gebeurt pas volgend jaar (de Cézanne werd langs speciale weg alsnog behouden).

Inmiddels is wel het aankoopfonds voor de Collectie Nederland gevormd dat werd beloofd in de Troonrede 1998. Het gaat om 100 miljoen gulden, waarvan de rente ter beschikking wordt gesteld van de Mondriaanstichting.

Deze heeft bijgedragen aan de Monets, maar de hoofdmoot kwam toch van de Stichting Nationaal Fonds Kunstbezit (SNFK), voor de gelegenheid bijgestaan door de Sponsorloterij.

Het fonds is gesticht op initiatief van de Vereniging Rembrandt, die zich zelf al meer dan een eeuw inzet voor verwervingen door Nederlandse musea. In de jaren negentig liep deze organisatie echter tegen zijn grenzen aan toen De evangelist Johannes van Frans Hals en de Vaandeldrager van Verspronck onhaalbaar bleken. Hecht bespreekt nog prachtstukken van Terbrughen, Jan de Bray en de oude Van Mieris die ons land voorbij gingen.

Het eerste geld voor het fonds kwam van De Nederlandsche Bank ter gelegenheid van het afscheid van de gulden ten behoeve van de euro en daarmee de eerste verwerving, de Victory Boogie Woogie van Mondriaan. Er ontstond commotie over deze besteding van `publiek' geld en de bijbehorende parlementaire zeggenschap.Dit was te verklaren uit de bijzondere positie van De Nederlandsche Bank, maar het fonds zelf is een particuliere instelling die net zo min onder ministeriële verantwoordelijkheid valt als de Vereniging Rembrandt die aan de wieg ervan stond.

In het kielzog van alle commotie heeft staatssecetaris Van der Ploeg (OC&W) een samenwerkingsovereenkomst gesloten met het fonds. Deze voorziet in verplichte advisering van het Instituut Collectie Nederland (ICN) aan de bewindsman. Ook is bepaald dat alle aankopen rijkseigendom worden.

De invulling van deze formule leent zich echter nog voor discussie. Het is in strijd met het zelfstandig karakter van het fonds als de staatssecretaris (of het ICN) beslist. Voor stokpaardjes als `cultureel divers verzamelen' moet de bewindsman zijn eigen geld maar aanspreken.

Ook de toegang van kleinere musea tot de aankopen vraagt aandacht. Het fonds mikt nadrukkelijk op de verwerving van stukken van evident belang, maar die zijn niet het exclusieve terrein van rijkmusea – of zelfs de Grote Vijf in dit land die door de Mondriaanstichting worden gepousseerd.

Het loterijgeld voor de Monets vormt in elk geval een doorbraak. Het is de laatste jaren steeds vaker gebruik dat het bedrijfsleven een concrete tentoonstelling of manifestatie sponsort. Nu gaat het om een bijdrage aan blijvend kunstbezit.

Dat kan nog voor een aardige competitie zorgen. Want internationale exposities vormen op zichzelf natuurlijk ook een bijdrage aan het beeld van de moderne kunstbeschouwer. Als een van de gemiste kansen voor de Collectie Nederland noemt Hecht de Pictura van Frans van Mieris de Oude die in 1982 uit Nederland naar het Getty museum ging. Deze allegorie op de schilderkunst is daarvoor eenmaal in Delft te zien geweest (1965) maar daarna driemaal in Amsterdam (1989) en Den Haag (1990 en 1999). Een dergelijke frequentie relativeert het gemis.

Het nieuwe mecenaat kan nog voor andere boeiende keuzes zorgen. De Zaanse Monet die op de markt kwam had in zijn eentje het Van Gogh museum waarschijnlijk niet gehaald; pas toen de Amsterdamse Monet opeens ook beschikbaar kwam besloot het fonds de aankoop te steunen wegens de toegevoegde waarde aan het beeld van Monet in Nederland. Deze Nederlandse invalshoek is een voor de hand liggend aankoopargument – en tegelijk hét argument voor het fonds zichzelf bij weldoeners aan de man te brengen.

Juist in het groeiende euroland zonder grenzen is er nieuwe aandacht voor het historisch gewortelde cultuurbezit, zoals Boonstra ook opmerkte bij aanvang van zijn missie.

Het accent op de Hollandse schilderkunst in onze openbare verzamelgeschiedenis dateert niet van vandaag of gisteren en had volgens Hecht allerlei begrijpelijke (financiële) redenen. Toch verklaart dat niet geheel het gemis aan ,,de zeventiende-eeuwse Italiaanse kunst die ons zoveel kan leren over de eigen artistieke positie in het Europa van destijds.'' Kijkt het nieuwe mecenaat over de rand van de Hollandse vissenkom of schiet het dan zijn doel voorbij? Ook na de Boogie Woogie blijft het spannend.

F.Kuitenbrouwer is redacteur van NRC Handelsblad.