Alles is ei

Als dichter mislukte hij, maar in gips gegoten hadden zijn niet-verkochte bundels veel succes. Brussel eert Marcel Broodthaers.

Het museum is een ziekenhuis waar het kunstwerk wordt verzorgd en veilig opgeborgen, en ver van het dagelijks leven vandaan gehouden. Het museum heeft de macht om aan een object de waarde van kunstwerk toe te kennen, maar de prijs die de kunstenaar hiervoor moet betalen is hoog: zijn werk wordt losgesneden uit de context waaruit het is ontstaan. Het museum doet de oorspronkelijke sociale of politieke betekenis van het kunstwerk teniet. Volgens Marcel Broodthaers (1926-76) was de context voor het kunstwerk allesbepalend, en was er aan dit mechanisme geen ontsnappen mogelijk. `Deze schilderkunst geeft mij hoofdpijn', schreef hij in 1962, tijdens zijn kortstondige carrière als kunstcriticus, over het werk van Mark Rothko, `maar is het eigenlijk wel de schilderkunst?' De Color field-schilder Rothko ging er van uit dat zijn werk de beschouwer direct zou kunnen aanspreken, zonder voorkennis of culturele conditionering, een idee dat door Broodthaers radicaal verworpen werd. Een jaar voor zijn dood schreef Broodthaers, over de kunst in het algemeen: `Ik heb hier niets ontdekt, zelfs Amerika niet. Ik beschouw kunst liever als een nutteloos labeur, a-politiek en weinig moreel.'

Broodthaers stelde zichzelf tot opdracht om zichtbaar te maken hoe onze samenleving met kunst om gaat, en hoe betekenis aan een kunstwerk wordt toegekend. De prachtige, groot opgezette overzichtstentoonstelling van zijn werk in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten laat zien dat Broodthaers zich overtuigend, en op een lichtvoetige en humoristische manier, van deze taak heeft gekweten. Het is het tweede volledige overzicht van zijn werk, en nog wel in het museum waar hij ooit zelf als suppoost werkte en rondleidingen gaf.

Broodthaers had gelijk: context en betekenisgeving vormen een eeuwig dilemma in de kunst. Het is een probleem waar iedere serieuze kunstenaar mee worstelt. Op dit moment is de thematiek van Broodthaers bijzonder actueel, nu een jonge generatie kunstenaars internationaal er alles aan doet om de kunst buiten de macht van het museum om te ontwikkelen.

Bij de ingang van het café in het Paleis voor Schone Kunsten vermeldt een houten bord in gouden letters: `Cafeteria. Cafetaria.' België is een raar land. De zorgvuldigheid die er in acht genomen wordt waar het de tweetaligheid betreft slaat even gemakkelijk om in een bijna onverantwoorde zorgeloosheid. In de Ardennen waarschuwt een verkeersbord voor het, inderdaad zeer slechte, wegdek; eronder de mededeling `Over een afstand van 35 kilometer. Tot aan Arlon'. Arlon ligt aan de grens met Luxemburg. Ander voorbeeld: op een kruispunt wijst een bord linksaf naar `Alle Richtingen' en rechtsaf naar `Andere Richtingen'.

Belgische kortsluiting

Dit is de wereld waar het werk van Broodthaers uit voort komt. Zijn werk staat in het teken van een surrealistische, visuele poëzie zoals dat ook gezegd kan worden van zijn grote voorbeeld René Magritte en voor de door hem bewonderde de Cobrakunstenaar Christian Dotremont. In deze, om maar te zeggen typisch Belgische, kunst gaat het om de frictie van het benoemen, om een kortsluiting tussen woord en werkelijkheid, en tussen woord en beeld. In zijn fictieve museum, bij hem thuis opgebouwd en met afdelingen in onder andere de Kunsthalle in Düsseldorf (1970) en de vijfde Documenta (in 1972, van Harald Szeemann), hing Broodthaers bij de tentoongestelde werken bordjes met de tekst: Ceci n'est pas une oeuvre d'art. Broodthaers verwijst hier naar Magritte's beroemde schilderij Ceci n'est pas une pipe, maar natuurlijk ook naar de ready mades van Marcel Duchamp. Hier is een kunstenaar die iets niet tot kunstwerk verklaart.

Broodthaers, geboren in Brussel als zoon van een maître d'hôtel, studeerde enkele jaren scheikunde. Na de oorlog was hij een aantal jaren lid van de communistische partij. Hij besloot dichter te worden, en publiceerde zijn eerste gedicht in 1945 in het surrealistisch-georiënteerde tijdschrift Le Ciel Bleu. Broodthaers voorzag op uiteenlopende manieren in zijn onderhoud: als boekverkoper, journalist, kunstcriticus, of door rondleidingen te verzorgen in het Palais des Beaux Arts. Een verwaarloosde hepatitis, opgelopen in 1939, bezorgde hem een chronische leverkwaal die uiteindelijk zou leiden tot zijn vroegtijdige dood.

In 1963 publiceerde Broodthaers, in eigen beheer, zijn vierde dichtbundel, getiteld Pense-Bête. Een Pense-Bête is een geheugensteuntje, zoiets als een knoop in je zakdoek. Natuurlijk betekent het ook `Denk dier', of `Denk dom'. Het is een dun boekje, omdat het schrijven van gedichten voor Broodthaers vooral het schrappen van tekst was, een pijnlijke en langdurige procedure die uiteindelijk maar enkele zinnetjes opleverden. Zoals het gedicht De kakkerlak en de boa: `Eindelijk doorzie ik mezelf. Ik ben bang gezien te worden. / Ik ben een boa, dat is wel het vreselijkste wat een slang kan overkomen'.' Of De Mossel: Deze linkerd ontglipte de mal van de maatschappij. / Hij goot zich in zijn eigen ik. / Anderen, soortgenoten, delen met hem de anti-zee. / Hij is volmaakt.

Toen ook deze bundel geen doorbraak opleverde, besloot Broodthaers een jaar later om de resterende vijftig boeken gedeeltelijk in gips te gieten, samen met twee plastic kogels. Het was een poging tot opzettelijke mystificatie: de boeken waren onleesbaar en tot sculptuur geworden. Hij exposeerde dit object in de Brusselse galerie Saint-Laurent, samen met andere objecten die hij had gemaakt: een krant met geëmallieerde eieren, een muziekstandaard met mosselschelpen en gips. Broodthaers gebruikte alledaagse dingen uit zijn omgeving in die werken, zoals meubilair, maar ook eieren en mosselen, die hij graag at.

De tekst op de uitnodigingskaart luidde: `Ook ik heb me afgevraagd of ik niet iets kon verkopen om te slagen in het leven. Ik ben nu al weer een hele tijd nergens goed voor. Ik ben reeds veertig jaar oud ... Uiteindelijk kwam ik op het idee om iets onoprechts uit te vinden en ben ik meteen aan de slag gegaan. Drie maanden later liet ik het resultaat zien aan Ph. Edouard Toussaint, de eigenaar van Galerie Saint-Laurent. Hé maar dat is Kunst, zei hij, en dat wil ik graag allemaal exposeren. Goed, zei ik. Als ik iets verkoop, is 30 procent voor hem; blijkbaar zijn dat acceptabele condities, want sommige galeries nemen 75 procent. Wat het zijn? Eigenlijk objecten.'

Gips

De tentoonstelling werd een groot succes. Het publiek reageerde wel anders dan Broodthaers had verwacht, zei hij in een interview in 1974: `Tot vandaag beschouwt het publiek het object of als een kunstuiting, of als een curiositeit. `Kijk eens aan, boeken in gips!' Niemand was nieuwsgierig naar de tekst, niet wetend of het nu ging om de begrafenis van proza of poëzie, om iets droevigs of iets grappigs.'

Het `onoprechte' dat Broodthaers uit wilde vinden zat hem erin dat objecten vervaardigde om ze te verkopen. Anders dan de dichter, die volledig trouw kan blijven aan zijn visioen omdat hij er niet voor betaald wordt, maakt de beeldend kunstenaar handelswaar. Hoe onbeduidend de dingen ook waren die hij maakte, zoals opeenhopingen van eierschalen of mosselschelpen, symbolen van leegte, of hoe miniem ook de handeling die hij verrichtte, zoals het louter zetten van zijn signatuur, alles werd onmiddellijk opgenomen in de circulatie van waren.

`Wat is kunst? Al sinds de negentiende eeuw wordt de vraag onophoudelijk gesteld [...]. Ik geloof niet dat het gewettigd is van Kunst een ernstige definitie te geven tenzij in het licht van één constante factor de transformatie van kunst in handelswaar.'

Broodthaers was een einzelgänger, bij geen enkele beweging in te delen. Weliswaar heeft zijn werk oppervlakkig bezien overeenkomsten met het Nouveau Réalisme (bijvoorbeeld met de `accumulaties' van Arman), of met Pop Art, maar op deze stromingen had hij juist veel kritiek: `In de beeldende kunst is mijn enige mogelijke engagement dat met mijn vijanden.' Terwijl de Pop Artkunstenaar de consumptiemaatschappij omhelsde, wilde Broodthaers juist het marktmechanisme van de kunst aan de kaak stellen. Het Nouveau Réalisme vond hij naïef omdat deze kunstenaars in maatschappelijke vooruitgang geloofden. Het verschijnsel mode was voor hem betekenisloos, en vooruitgangsgeloof beschouwde hij als een vorm van barbarij.

Broodthaers' werk heeft een ouderwetse, nostalgische sfeer die aan de kunst van de jaren zestig en zeventig vreemd is. Hij gebruikte een 19de eeuwse aandoende typografie, bijvoorbeeld in zijn Plaques en Plastique, `industriële gedichten' zoals hij ze noemde, plastic reliëfs in twee contrasterende kleuren in een oplage van maximaal zeven (hoewel ze in principe oneindig vermenigvuldigbaar waren), zoals een bord voor zijn Musée d'Art Moderne, Dt. Des Aigles, Service Publicité. Een prachtig werk is La Salle Blanche, dat voor de tentoonstelling in Brussel is gereconstrueerd. Het is een exacte replica van zijn eigen woonkamer, uitgevoerd in hout, compleet met deur- en wandpanelen, ramen en een schoorsteenmantel, met twee gefotografeerde radiatoren als verwarming. De lege kamer is Broodthaers' variant van de, nog steeds, dwingende witte lege tentoonstellingszaal, de white cube. Op de wanden zijn in schooljuffrouwen-handschrift begrippen geschreven die een inventaris zijn van de structuur van de kunstwereld: collectioneur, galerie, chevalet, composition, figure, amateur, copie, enzovoort. Bij Broodthaers vertelt de taal ons over kunst, en vertelt de kunst over taal. `L'esprit est la racine de la forme' de geest is de wortel van de vorm.

Broodthaers thematiseerde in zijn kunst de voorwaarden voor het bestaan van beeldende kunst. Het museum, de galerie, de signatuur, sokkel, vitrine, lijst. Zijn fotografische projecties op linnen - simpele uitvergrotingen van kleine dia's - omlijstte hij bij voorkeur met dikke goudkleurige frames. Bijvoorbeeld de prachtige serie `Een reis over de Noordzee', die hij ook in boekvorm en als film heeft uitgebracht. Met de camera tastte hij een 19de eeuws kitsch-schilderijtje van zeilschepen op zee af, zodat een verhaal, een reis ontstaat. De schepen verschijnen in beeld en verdwijnen weer, we zien close ups van hoge golven, van een boeg die het water doorklieft, dit alles compleet met structuur van linnen en verf. `Een Reis over de Noordzee' loopt vooruit op allerlei hedendaagse fotografische en video-experimenten, van het wiegende bootje van Douglas Gordon tot aan de video's van Rob Johannesma. Broodthaers heeft alles te maken met de kunst van nu.

Duizenden

Alleen Mme. Fernande, kokkin in restaurant La Boue, kon de eieren precies zo breken als Broodthaers graag wilde. Zij voorzag hem in de loop van de tijd van duizenden eierschalen. Broodthaers dichtte: `Alles is ei. De wereld is ei. De wereld is ontstaan uit het grote eigeel, de zon. Onze moeder, de maan, is bedekt met eierschalen. Stof van eieren, de sterren. Alles, dode en lege eieren.'

De leegte, de afwezigheid van inhoud, is het eigenlijke thema van Broodthaers. Moule heeft een dubbele betekenis: la moule is een mossel en le moule is een mal. Voor Broodthaers staat het vrouwelijke (la moule) voor de inhoud en het mannelijke (le moule) voor de vorm. Het hele oeuvre van Broodthaers toont in feite maar één ding, de mal, de lege huls: museum, lijst, signatuur, zelfs het kunstwerk. Broodthaers: `Mosselen, eieren, voorwerpen zonder inhoud tenzij lucht, en zonder gratie. Alleen hun schelpen benadrukken noodgedwongen de leegte. Het is het voetstuk dat men moet bekijken. In feite breng ik u de realiteit met mijn werk'.

De mossel is volmaakt, want hij maakt de schelp die hem vormt. De mossel creëert zichzelf. Broodthaers creëerde zichzelf door ons de leegte te laten zien. Als een onontkoombare conditie, maar niet zwaar dramatisch, nee eerder luchtig en sprankelend. `Ik wil de verbijstering uitvinden, sprak de hagedis, en hij verdween met zijn idee'.

Marcel Broodthaers: overzichtstentoonstelling in het Paleis voor Schone Kunsten, Ravensteinstraat 23, Brussel. Tot 10 juni. Dagelijks (ook maandag) 10 18 uur. Alleen Mme. Fernande, kokkin in restaurant La Boue, brak de eieren precies goed