We stonden erbij, maar keken er niet naar

Decennialang heeft er niemand omgekeken naar het basisonderwijs. Nu selectie bij de middelbare school weer mag, is opeens iedereen wakker geworden.

TOT VOOR KORT zijn we altijd overtuigd geweest van de kwaliteit van ons onderwijs. Zeker waar het ging om de lagere school. De ene school was strenger dan de andere, de ene was katholiek of protestant, de andere openbaar, ze konden verschillen in aanpak, zoals Dalton of Montessori, en de steden kenden verschillen naar de buurt waar de school stond. Dit laatste was, zeker in het verleden, het belangrijkste onderscheid: in de betere buurten gingen de meeste leerlingen naar het lyceum, in de arbeidersbuurten naar hooguit de mulo – en in een heel enkel geval naar het lyceum.

Die verschillen hadden niet alleen te maken met de aanleg van die leerlingen, of met wat ze van huis uit meekregen. De schooladviezen van het hoofd der lagere school waren vaak conform de sociale achtergrond van de leerlingen. Dat was geen toeval. Velen hadden twijfels bij de vraag of het wel verantwoord was wanneer kinderen veel meer gingen leren dan hun ouders. Dat bracht het risico mee dat ze zich vervreemdden van hun eigen milieu en zich in hun nieuwe sociale omgeving nooit op hun plaats zouden voelen.

Sedert de jaren vijftig is er in toenemende mate aandacht voor onderwijs als emancipatoire factor, in combinatie met de noodzaak om alle talent te mobiliseren gezien de toenemende behoefte aan goed opgeleide werknemers. Het onderwijs ontwikkelt zich in die jaren tot een bloeiende sector. Dankzij de geboortegolf nemen de aantallen leerlingen toe. Ook gaat men langer leren, niet alleen als gevolg van de verlenging van de leerplicht, maar ook door allerlei maatregelen die dit stimuleren.

In het proces van kwaliteitsbewaking spelen de middelbare scholen in die jaren een sleutelrol. De enorme toevloed van leerlingen wordt gereguleerd door de toelatingseisen die de scholen stellen. Leerlingen moeten een toelatingsexamen doen of een intelligentietest en als de uitslag twijfelachtig is, volgt er een proefklas, waarbij de leerlingen een paar dagen lessen volgen en door de leraren nader onder de loep worden genomen. Lagere scholen doen hun best om leerlingen zo goed mogelijk voor te bereiden op de toelatingsexamens, want daar hangt hun toekomst van af.

Omstreeks 1980 verandert op slag alles. De aantallen leerlingen lopen terug. Middelbare scholen zien zich voor het eerst in hun bestaan geplaatst voor de vraag hoe hun klassen te vullen. Eerst worden ze minder kritisch; vervolgens lichten ze steeds meer de hand met de toelatingseisen. Dat kan inmiddels ook: de jaren zeventig hebben een omwenteling teweeggebracht. Autoriteiten verliezen hun gezag. Scholen gaan hun gang en niemand voelt zich geroepen hen tot de orde te roepen. De inspectie trekt zich terug achter het bureau, het onderwijs kan zijn gang gaan.

Met de bevrijding van de jaren zeventig komt ook de autoriteit van het Cito, het nationale toetsinstituut, onder vuur te liggen. Het Cito is begin jaren zestig opgericht met de nadrukkelijke bedoeling om te komen tot eerlijker vormen van beoordelen. Alle leerlingen en alle scholen langs dezelfde meetlat leggen. Daarmee moet ervoor worden gezorgd dat leerlingen uit achterstandsmilieus niet gehandicapt worden door hun geringere vaardigheden op verbaal gebied. Die achterstand speelt hun parten bij de traditionele wijze van examineren, waarbij veel van het verbale kunnen wordt gevraagd.

Omdat de selectie aan de poort van de middelbare school wegvalt, kan de lagere school haar eigen prioriteiten stellen. Het Cito raakt in diskrediet. Andere kwaliteiten zijn belangrijker. Domweg feitjes leren, heet het opeens, stampen. De toetstraining moet plaatsmaken voor belangrijkere zaken zoals: leren jezelf te zijn, creativiteit, sekseneutrale opvoeding, kritisch denken, anti-autoritair opvoeden. De toets wordt op veel scholen afgeschaft. Die meet alleen maar parate kennis en niet alle nieuwe zaken die zo veel belangrijker zijn. Bovendien is zo'n toets slechts een momentopname, daar mag je geen waarde aan hechten.

Vanaf dat moment gaat het goed mis met het basisonderwijs. Middelbare scholen die in hun overlevingsdrang rijp en groen aannemen, gaan de brugklassertjes bijspijkeren op het gebied van taal en rekenen. Zolang dit het geval is, kan iedereen leven met basisscholen die tekortschieten. Natuurlijk zijn er wel ergernissen, persoonlijke ervaringen van ouders die hun kind op een andere school doen, maar een publiek probleem wordt het pas als in de jaren negentig middelbare scholen weer in de positie komen dat ze eisen kunnen stellen.

In die periode stabiliseren de leerlingenaantallen. Scholen hoeven niet meer iedere leerling aan te nemen om te overleven. Ze kunnen weer kiezen. Bovendien hebben veel scholen voor voortgezet onderwijs zich bij elkaar aangesloten. Ze zijn niet langer concurrenten die proberen leerlingen van elkaar af te snoepen, maar collega's die er belang bij hebben dat de leerlingen geplaatst worden op het schooltype waar ze thuishoren. Dit laatste wordt bepaald, althans in eerste instantie, door hun prestaties op de toelatingstoets. Kortom, er wordt weer geselecteerd aan de poort. En daarmee wordt zichtbaar wat middelbare scholen allang weten, maar waar ze nooit moeilijk over hebben durven doen: namelijk dat er grote verschillen zijn ontstaan in kwaliteit tussen de ene en de andere basisschool.

Die verschillen konden ontstaan door het hiervoor geschetste ontbreken van controle. Ouders waren coulant omdat de prestaties op de basisschool toch geen gevolgen hadden voor de toelating tot de middelbare school. Als dat in de jaren negentig verandert, worden de ouders opeens kritische volgers van de onderwijskwaliteit. Ze eisen van de school inzage in de Cito-scores of stellen zelfs het bestuur in gebreke wegens de slechte kwaliteit. En de rechters stellen de ouders in het gelijk. Met die toegenomen aandacht van de ouders worden ook de media en de politiek wakker geschud. Onderwijs wordt weer belangrijk. Gemeenten en schoolbesturen worden gedwongen verantwoording af te leggen over de kwaliteit van de scholen. Omdat de Citotoets op veel plaatsen is afgeschaft, kunnen ze daar echter vaak niets over zeggen.

In de discussie over het niveau van het basisonderwijs speelt nog een factor mee: de kwaliteit van de leerkrachten. Voor de pabo's, de pedagogische academies die leraren opleiden voor het basisonderwijs, heeft hetzelfde gegolden als voor de middelbare scholen. Ook de pabo's zagen de belangstelling teruglopen en gingen dus van alles doen om studenten te krijgen en te houden. Maar terwijl het niveau van de middelbare school in ieder geval werd bewaakt door de eindexameneisen, konden de pabo's (die geen centraal eindexamen kennen) ongecontroleerd hun gang gaan. Er zijn dus in Nederland gebrekkig opgeleide leraren, van wie overigens niet duidelijk is in hoeverre ze ook daadwerkelijk in het onderwijs werken, of ze zich inmiddels hebben bijgeschoold, om hoeveel mensen het gaat of wie het zijn. Van de scholen kan moeilijk worden verwacht dat zij kritisch zijn in hun aannamebeleid nu zij, als gevolg van de tekorten, steeds minder kieskeurig kunnen zijn met wie ze voor de klas zetten.

Daarmee zijn we aanbeland bij het enige taboe dat de Nederlandse samenleving nog kent. De intiemste zielenroerselen, blote borsten, billen en nog veel meer, gruwelijke details van massaslachtingen, de bonnetjes van Peper, anno nu mag alles worden gezegd, getoond en uitgezocht. De gebrekkige historische kennis van sommige Kamerleden wordt publiekelijk aan de kaak gesteld, de kennis over de verschillen in kwaliteit tussen basisscholen is bekend geworden door het dagblad Trouw. Maar waar niemand aan durft te beginnen is het doorlichten van de kwaliteit van onze leraren.

Dat is vreemd, want zij zijn de sleutelfiguren waar het de kwaliteit van het onder- wijs betreft. We weten dat velen een slechte opleiding hebben gevolgd, en het is niet redelijk te verwachten dat iedereen dat later door zelfstudie heeft gecompenseerd. Toch zal de kritische analyse er voorlopig niet van komen. Wegens het tekort aan leraren zijn scholen blij met iedere gediplomeerde kracht die ze kunnen krijgen, aan kwaliteitscontrole hebben ze geen enkele behoefte. En als een leraar door gebrekkige kennis beperkt inzetbaar is, dan is dat altijd nog beter dan helemaal niemand voor de klas. Maar echt onderzoek daarnaar doen, daar heeft nog niemand zich aan gewaagd. Het is vreemd dat de leraren die er een beroep van hebben gemaakt anderen te beoordelen, zelf, wat betreft de kwaliteit van hun eigen functioneren, altijd buiten schot zijn gebleven.