Samen in de coupé

Eerst probeer je nog te denken hoe interessant die flarden uit andere werelden zijn waar je ongevraagd deelgenoot van wordt als je reist in de trein en probeert je te concentreren op de lezing die je 's avonds moet houden. Ik had me immers voorgenomen het prettig te hebben, en daar hoort bij dat je je niet meteen door van alles en nog wat van de kaart laat brengen.

Dus probeerde ik me een voorstelling te maken van de samenwerkingsverbanden, de neuzen die één kant op moesten, de beren op de weg en de dode mussen.

Maar de man was niet aflatend met zijn gsm, en het ene gesprek was nog niet afgerond met alle vaste woordwendingen die daar bij horen of het volgende gesprek werd met precies dezelfde intonatie aangevangen.

Als ergernis zich eenmaal heeft ingezet is er soms geen houen meer aan, zoals hoofdpijn die op komt zetten zelden meer te keren valt. De man had me eerst nog wel aardig geleken, maar nu was alles aan hem irritant, zoals hij daar zat, nergens acht op sloeg en met luide stem de hele coupéruimte vulde. Dit was dwangmatig telefoneren: niet even bedenktijd tussen twee gesprekken, niet even een moment om iets te laten bezinken, maar direct door, zonder adempauze, zonder lucht, de volgende, en dan weer de volgende. Dit was geen contactbehoefte, dit was stilteangst. Hier moest iets vermeden worden: het stil zitten denken en kijken, wat juist in de trein zo prettig kan zijn en waar ik zo naar had uitgekeken.

Ik begon me vreselijk op te winden, en alleen maar gefixeerd te wachten tot die stem afsloeg die elke eigen gedachte uitdreef. Ik ging de man een indringer vinden, iemand die zich in mijn ruimte drong met die stem, een dief van mijn tijd en mijn stilte.

Misschien leek het op de woede die mensen soms voelen tegen wildplassers: ook dat is bederf van de ruimte, een toeeigening van de openbare ruimte voor eigen gerief die veelal lijdelijk wordt geduld, maar opeens hevig in het verkeerde keelgat kan schieten. Dat laatste was nu duidelijk bij mij het geval, de vergelijking drong zich steeds sterker op, en ik begon de man nu ook vies te vinden.

Er moest iets gebeuren. Inmiddels wetend dat het stille lijden weinig goeds oplevert, besloot ik, assertief, hem uit zijn communicatiecocon te sleuren door hem vriendelijk doch beslist te vragen hoe lang zijn gesprekken nog zouden duren, aangezien ook ik moest werken.

Zijn reactie was in al zijn eenvoud verbluffend: niet de verhoopte schaamte, niet het kostbare moment dat hem de schellen van de asociale ogen zouden vallen. Nee, het was de blaffend uitgesproken zin dat ik dan maar ergens anders moest gaan zitten.

Ik wilde het opeens niet op me laten zitten, alsof de seksestrijd hier en nu uitgevochten moest worden, alsof het er nu op aankwam dat ik me niet weg zou laten sturen. Ik moet ook werken, zei ik ferm en een tikje superieur, maar ik hinder u daar niet mee. Het maakte geen enkele indruk.

Nog voor ik een krachtige tegenzet kon doen, sprongen twee andere heren voor de man in de bres, en zeiden laatdunkend dat hij gewoon zat te werken en dat dat heel normaal was op deze manier, modern en normaal. Waarmee ik gedegradeerd werd tot iemand die niet wist hoe het tegenwoordig hoorde, ouderwets, overgevoelig, niet bestand tegen de tekenen en geluiden van de tijd.

Op zo'n moment is het zaak om de eigen visie op de situatie niet te laten verjagen: hinderlijke heren – inmiddels in meervoud – die vonden dat zij het voor het zeggen hadden. Ik moest me nu in geen geval onzichtbaar maken en ging nadrukkelijk in mijn tekst lezen, benieuwd naar het vervolg.

Er gebeurde wat ik nooit gedacht had: de man viel stil en stapte uit bij het eerstvolgende station.

Ik had gewonnen, hij ruimde – terechtgewezen – het veld. De gedachte dat hij hier misschien moest zijn en zijn reis op natuurlijke wijze tot een eind was gekomen deed niets af aan de triomf. Het gaf een intense voldoening, alsof er iets van een oude orde hersteld was en het recht om niet gestoord te worden nog iets vermocht.

Tot de volgende man zijn apparaat greep en de ruimte vulde.