ONDERWIJSWET

Ruim vijftien jaar bestaat de basisschool nu. Op 1 augustus 1985 trad onder toenmalig minister Deetman (Onderwijs) de wet op het basisonderwijs in werking. Daardoor fuseerden zo'n 17.000 kleuter- en lagere scholen tot basisscholen met acht groepen, in plaats van twee of drie kleuterklassen en zes klassen van de lagere school.

Met deze maatregel vervielen de wet op het lager onderwijs uit 1920 en de wet op het kleuteronderwijs uit 1955. Bovendien werd de leerplichtige leeftijd vervroegd van zes naar vijf jaar, met als leuze `Vijf jaar moet, vier jaar mag'.

Met de integratie van het lager- en kleuteronderwijs wilde de overheid de kloof tussen de twee overbruggen. Immers, op de kleuterschool lag de nadruk veel meer op de individuele leerling, terwijl kinderen op de lagere school juist klassikaal moesten werken. Bovendien werden er landelijke `kerndoelen' opgesteld, bedoeld om de kwaliteit van het onderwijs beter te toetsen.

Toch was er ook kritiek op deze `stroomlijning' van het onderwijs voor kinderen tot twaalf jaar. Kleuterscholen vreesden dat het kleuteronderwijs ondergesneeuwd zou raken door het lager onderwijs. Dat bleek niet geheel ongegrond. Zo bleek in 1992 uit een onderzoek van de Universiteit van Amsterdam (UvA) dat veel afgestudeerde pabo-studenten onvoldoende geschoold waren om kleuters les te geven. Sinds `de basisschool' leren ze dit wel.

De invoering van de basisschool past in een jarenlange stroomlijning en schaalvergroting in het onderwijs. In 1968 verdwenen de oude mms, mulo, hbs en gymnasium en ontstond het voortgezet onderwijs. In de jaren tachtig verdwenen honderden kleine heao's, weekscholen, lerarenopleidingen en hts'en in grote hogescholen.